3 december 2023

De gelijkenis van de onvruchtbare vijgenboom, hoewel zeer klein van omvang, geeft ons met zijn prachtige adviezen zeer belangrijke lessen. De hele gelijkenis is in een paar regels samengevat. “Iemand had een vijgenboom in zijn tuin geplant en ging kijken of de boom vrucht droeg, maar hij vond geen vijg. Hij zei tegen de tuinman: “Al drie jaar kom ik kijken of die vijgenboom vrucht draagt, maar tevergeefs. Hak hem maar om, want hij dient tot niets en put alleen de grond uit.” Maar de tuinman zei: “Heer, laat hem dit jaar nog met rust, tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven, misschien zal hij dan het komende jaar vrucht dragen, en zo niet, dan kunt u hem alsnog omhakken” (Lucas 13 6-9).

Er zijn boomsoorten die geen vrucht dragen, en het is begrijpelijk dat niemand van zulke bomen vruchten kan verwachten. De vijgenboom is echter een fruitboom. Hier kwam de eigenaar van de tuin voor het derde jaar op bezoek en elke keer zag hij dat er geen fruit aan de vijgenboom zat. De eigenaar werd boos en dat is normaal. Ieder van ons zal boos zijn als wij een boom laten groeien en verzorgen en drie jaar lang geen vrucht aan de boom zien. De eis van de eigenaar van de tuin om de vrucht van zijn inspanningen te zien was dus gerechtvaardigd. Omdat de boom alleen plek innam, gaf de eigenaar opdracht deze te kappen. Er is nog een hoofdpersoon in de gelijkenis, namelijk de tuinman van de tuin. Hier gebeurt iets interessants. Het lijkt er namelijk op dat de tuinman meer om de vijgenboom geeft dan de eigenaar van de tuin. Hij zegt dan ook: laat de boom nog één jaar staan, misschien werpt het dan wel vruchten af.

Dit stukje bevat ook zeer interessant advies. Even later zullen wij namelijk zien dat de tuinman en de eigenaar van de tuin hetzelfde zijn in de betekenis van de gelijkenis. De eigenaar is God (de Vader), zowel de verzorger als de schepper van de noodzakelijke voorwaarden voor bloei (de Zoon). Er worden echter twee verschillende posities gepresenteerd. De eigenaar, die eist dat de vijgenboom wordt gekapt, en de verzorger, die vraagt ​​om nog wat geduld te hebben, “tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven…”.

In de gelijkenis is de eigenaar van de tuin God Zelf. De tuin kan gezien worden als onze aarde, maar het symboliseert ook de Kerk. De eigenaar van de tuin zag dat de boom (dat wil zeggen de mens) die in zijn tuin was geplant geen vrucht droeg. Nadat de mens, na drie jaar onafgebroken verzorgd te zijn, uit de Hof van Eden was verbannen, bleef ze onvruchtbaar. Nadat de zonde van de mens van het Paradijs was verbannen, had het volledig moeten verdwijnen, maar het vermenigvuldigde zich op aarde. Een persoon zou spijt moeten hebben, zich moeten bekeren, zijn fout moeten begrijpen, maar het tegenovergestelde gebeurde, de mens was onvruchtbaar. God stuurde ook Zijn Zoon, Christus de Tuinman, Die de tuin bebouwde, Wie veel om de tuin en de onvruchtbare vijgenboom gaf, zowel als Schepper als Verlosser. Hij aanvaardde Zijn oneervolle dood aan het kruis, Hij vergoot Zijn heilige bloed voor de redding van “alle bomen” van het Hof. De uitdrukking “tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven” symboliseert dan het reddingsplan zelf. Dit plan werd gerealiseerd door de kruisiging en wonderbaarlijke wederopstanding van de Tuinman-Zoon van God, waardoor sommigen vrucht droegen, terwijl anderen, zoals de vijgenboom in de gelijkenis, onvruchtbaar waren.

“Ik kom hier al drie jaar…” heeft ook een betekenis. De Heer bezoekt elk persoon minstens drie keer en verwacht elke keer de vruchten van bekering. De drie jaren weerspiegelen ook iemands kindertijd, jeugd en ouderdom. Want hoewel de vrucht van de jeugd eervoller is dan die van de ouderdom, is God ook tevreden met de vrucht van de ouderdom als die wordt gegeven. Wij zouden ook verbaasd moeten zijn over de zoete vergevingsgezindheid van God, hoe Hij geduldig afwacht en geen verdiende straf over de onvruchtbare zonen van het geloof brengt… zodat wij wellicht Gods zoetheid en geduld begrijpen en dat het ons tot bekering drijft.”

De kern van deze gelijkenis is de vrucht. Wat bedoelde de Heer met de vrucht? Dit is uiterst belangrijk. In zijn brief aan de Galaten vermeldt de apostel Paulus duidelijk negen vruchten: “Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing” (Galaten 22-23). Dit zijn allemaal spirituele verschijnselen, met andere woorden: deugden. Dit was precies waar de Heer naar op zoek was. Christus zei tegen Zijn discipelen: “Als jullie gerechtigheid niet groter is dan die van de schriftgeleerden en de Farizeeën, zullen jullie zeker het Koninkrijk van de Hemel niet binnengaan.” (Mattheüs 5.20). Met andere woorden, jullie, die door het bloed van Christus verlost zijn, zijn verplicht om het gerechtvaardigst te zijn, om de meest deugdzame daden te doen.

Er zijn helaas weinig mensen die vrucht dragen in de Tuin zelf (dat wil zeggen, de Kerk). Er zijn velen die zichzelf christenen noemen, maar die geen vrucht en helemaal geen Godsvrucht hebben. Dit is een van de kwaden waarmee wij vandaag de dag geconfronteerd worden. In de eerste, tweede en derde eeuw werd het als schande gezien om christen te zijn.  Het christendom verkeerde in een staat van vervolging verkeerde omdat het “de sekte van de Nazarener” werd genoemd en christenen ook potentiële martelaren waren. Hierdoor noemden alleen degenen die God in hun hart aanbaden zichzelf christenen. Het is in de hedendaagse realiteit een eer om christen te worden genoemd, omdat het christendom door de eeuwen heen door zijn heilige vruchten aan te bieden zijn kwaliteit heeft bewezen en heeft bewezen dat er op aarde niets hoger is dan dit, maar toch zijn velen christenen in enkel de naam. Die mensen leven zoals zij willen.

Vóór het oordeel waardeerde de mens Gods barmhartigheid niet, verachtte hij die genade, verachtte hij de eis van de Heer om de vrucht te dragen. Dan zal Gods genade afwezig zijn en de deur die altijd open stond toen de mens in deze wereld was, zal gesloten zijn en zal niet meer geopend worden. Omdat God zijn hele leven barmhartigheid had met de mens, hem bezocht, naar vrucht zocht, alles gaf, zichzelf blootstelde aan smaad en het kruis.

Volgens de gelijkenis zitten wij allemaal dankzij het offer van Christus, de Zoon van God, in het vierde jaar. Als het mysterie van het derde jaar werd vervuld met de komst van Christus, dan begon met Zijn kruisiging en opstanding de ‘extra’ periode van goddelijke genade, het vierde jaar, dat nog steeds voortduurt, zodat de zondige mensheid, die gelooft in Christus de redding van zijn ziel kan realiseren tot aan de wederkomst van de Heer.

Glorie voor hem voor altijd. Amen.

Evangelie: Lucas 13:1-9

131Er waren op dat moment ook enkele mensen aanwezig die Hem vertelden over de Galileeërs van wie Pilatus het bloed vermengd had met dat van hun offerdieren. 2Hij zei tegen hen: ‘Denken jullie dat die Galileeërs grotere zondaars waren dan alle andere Galileeërs, omdat ze dat lot ondergaan hebben? 3Zeker niet, zeg Ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal op dezelfde wijze omkomen. 4Of die achttien die stierven doordat de Siloamtoren op hen viel – denken jullie dat zij schuldiger waren dan alle andere mensen die in Jeruzalem wonen? 5Zeker niet, zeg Ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal net zo sterven als zij.’

6Hij vertelde hun deze gelijkenis: ‘Iemand had een vijgenboom in zijn wijngaard geplant en ging kijken of de boom vrucht droeg, maar hij vond geen vijgen. 7Hij zei tegen de wijngaardenier: “Al drie jaar kom ik kijken of die vijgenboom vrucht draagt, maar tevergeefs. Hak hem maar om, want hij put alleen maar de grond uit.” 8Maar de wijngaardenier zei: “Heer, laat hem ook dit jaar nog met rust, tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven. 9Misschien zal hij dan het komende jaar vrucht dragen, en zo niet, dan kunt u hem alsnog omhakken.”’

 

10 december 2023

“Want ik zeg je: de gasten die het eerst waren uitgenodigd, zullen niets van mijn maaltijd krijgen” – Lucas 14:24

Jezus vertelt een verhaal over de gastheer van een etentje: “Een nobele man bereidt een diner voor en nodigt zijn familieleden en vrienden uit om het diner bij te wonen. Als de tijd daar is, laat hij hen via zijn dienaar weten dat ze moeten komen. Echter weigert iedereen door verschillende redenen het diner bij te wonen. “Ik heb een boerderij gekocht en ik moet gaan..” “Ik heb vijf span-ossen gekocht, ik ga ze uitproberen…” enzovoort. De edelman wordt boos en beveelt zijn dienaar: “Ga onmiddellijk naar de pleinen en de straten en breng mensen hierheen, zodat mijn huis gevuld zal worden”. “Ik zeg je: de gasten die het eerst waren uitgenodigd, zullen niets van mijn maaltijd krijgen”(Lucas 14:16-24).

Het is duidelijk dat met degene die het diner bereidt in de gelijkenis God bedoeld wordt. God maakt een groot avondmaal door Zijn Zoon te offeren. God opende die kosmisch heilige tafel en houdt die open vanaf de tijd van Christus tot vandaag. Die tafel is de Heilige Liturgie, waar het lichaam en bloed van Christus onmiddellijk worden geofferd, waar de goddelijke sacramenten aanwezig zijn  en God Zelf aanwezig is met de gemeenschap van Zijn heilige lichaam en bloed. Voor dit kosmische diner waren en worden heel veel mensen uitgenodigd. De uitverkorenen, de eerstgenodigden werden echter onwaardig bevonden, want de joden kruisigden Christus. In plaats van hen gaven de heidense naties, die in de gelijkenis worden voorgesteld als een collectief van de armen, de kreupelen, de lammen, de blinden en willekeurige mensen, gehoor aan de oproep van de Heer. Zij wendden zich tot de Heilige Sion en ontvingen een zegen van de Heilige Geest van de Heer.  Zij proefden het lichaam en bloed van de Heer en er werd onder meer geheiligd dan joden, die in zijn slechte gulzigheid bleef en niet deelnam aan het Avondmaal.

Dit is een waarneming op historisch en evangelisch niveau. De gelijkenis heeft echter ook een algemenere, puur persoonlijke, introspectieve betekenis, die voor mensen van alle tijden en voor ons allemaal is. Dit is de morele kant van het verhaal. Het gemeste dier wordt geslacht, het offer wordt gebracht, de tafel staat klaar, wat dus het offer van Christus symboliseert. Het verlossingswerk is volbracht, Christus heeft de kop van de duivel verpletterd en nu roepen de uitnodigers de uitverkorenen, de waardige. De redenen om het diner te weigeren verschilden. De eerste zei: “Ik heb een boerderij gekocht en ik moet hem gaan bekijken. Beschouw mij alstublieft als een afwezige”. En de ander zei: “Ik heb vijf span-ossen gekocht. Ik ga ze proberen. Ik smeek je, beschouw mij als een afwezige”. En de ander zei: “Ik ben getrouwd, daarom kan ik niet komen” (Lucas 18-20). De drie redenen waren: boerderij, ossen en huwelijk. In de huidige terminologie: onroerend goed, roerende goederen en familie. Niemand noemde een schuldige reden, niemand zei; “Het spijt me, maar vandaag ga ik stelen” of “Ik ga een persoon vermoorden.” Alle drie de redenen voor weigering werden in feite ingegeven door positieve motieven. God heeft immers zelf toestemming gegeven aan een mens om een ​​boerderij te kopen, ossen te houden of te trouwen, kortom om zijn aardse plichten te vervullen. In werkelijkheid waren al deze redenen echter vakkundig verhulde misleidingen, die gebruikt werden om het afwijzen van de uitnodiging van de Heer te rechtvaardigen.

“Ik heb geen tijd” – dit is het antwoord van de hedendaagse mens op Gods uitnodiging. Maar is het nodig dat we op het openingsuur van de heilige tafel ons van goederen en noodzakelijke behoefte voorzien? We durven, tegen de Schepper die ons de tijd geeft, te zeggen: “Ik heb geen tijd”. Gods woord zal heel strikt en beslissend zijn, zoals in het spreekwoord. “Want ik zeg je: de gasten die het eerst waren uitgenodigd, zullen niets van mijn maaltijd krijgen” (Lucas 14:24). God zei tot Zijn dienaar door de lippen van de meester van de gelijkenis: “Ga onmiddellijk naar de pleinen en straten van de stad en breng de armen, de verminkten, de kreupelen en de blinden hierheen… zodat mijn huis gevuld zal worden” (Lucas 14:21-23). Met dezelfde toorn strafte God het Joodse volk. Jezus zei: “Uw vader is de duivel en u doet maar al te graag wat uw vader wil..” (Johannes 8:44). En die mensen, degenen die Christus kruisigden, werden aldus beroofd van goddelijke heiligheid en al hun verdere ontwikkeling werd afgewezen: het priesterschap hield op en de tempel werd vernietigd. Na zoveel straffen, werd de wijze wijzer, de dwaas nog dwazer. Als God Zijn eigen volk, de afstammelingen van Zijn geliefde Abraham, Mozes en Aäron, niet spaarde, dan zal Hij niemand sparen van atheïsme. We zullen niet gespaard blijven, hoe vaak we ook zeggen dat we de eerste christelijke staat zijn, als wij Zijn heilige tafel, het heilige bloed en lichaam van Zijn Zoon verachten.

God, gastheer van het grote feestmaal in de gelijkenis, heeft alles gedaan voor onze verlossing, waarom willen we Hem niet dienen, welke smoesjes zijn we aan het verzinnen, waarom raken we verdwaald in onze fouten en blijven we berouwloos? Voor ons eigen voordeel, voor onze eigen verlossing is het de juiste keuze om op de uitnodiging in te gaan, met liefde te reageren, naar God te gaan, te buigen en belangrijker nog, het heilige lichaam en bloed van de Heer te proeven en dit vergankelijke leven in heiligheid te leiden. Voor altijd, genietend van de tafel die God heeft gegeven en van de aanwezigheid van de Heer, aan wie de glorie voor altijd toekomt. Amen.

Evangelie: Lucas 14:12-24

12Tegen degene die Hem had uitgenodigd, zei Hij: ‘Wanneer u een maaltijd aanbiedt of een feestmaal geeft, vraag dan niet uw vrienden, uw broers, uw verwanten of uw rijke buren. Want zij zullen op hun beurt u uitnodigen, en zo doen zij iets voor u terug. 13Wanneer u een feestmaal geeft, nodig dan armen, kreupelen, verlamden en blinden uit. 14Dan zult u gelukkig zijn, juist omdat zij niets kunnen terugdoen. Want u zult ervoor beloond worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.’

15Een van de andere gasten, die dit hoorde, zei tegen Hem: ‘Gelukkig al wie zal deelnemen aan de maaltijd in het koninkrijk van God!’ 16Daarop zei Jezus: ‘Iemand wilde een groot feestmaal geven en nodigde tal van gasten uit. 17Toen de dag van het feestmaal gekomen was, stuurde hij zijn dienaar naar de genodigden om tegen hen te zeggen: “Kom, want alles staat klaar.” 18Maar een voor een begonnen ze zich te verontschuldigen. De eerste zei: “Ik heb net een akker gekocht, die ik beslist moet gaan bekijken. Neemt u mij niet kwalijk, ik kan niet komen.” 19En een ander zei: “Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga ze keuren. Neemt u mij niet kwalijk, ik kan niet komen.” 20Weer een ander zei: “Ik ben pas getrouwd en daarom kan ik niet komen.” 21Toen de dienaar teruggekomen was, bracht hij zijn heer verslag uit. De heer des huizes ontstak in woede en zei tegen zijn dienaar: “Ga vlug de stad in en breng uit de straten en stegen de armen en kreupelen en blinden en verlamden hierheen.” 22Toen de dienaar hem kwam melden: “Heer, wat u hebt opgedragen is gebeurd, en nog is er plaats,” 23zei de heer tegen hem: “Ga naar de wegen en de akkers buiten de stad en haal iedereen binnen, want mijn huis moet vol. 24Ik zeg jullie: niemand van de genodigden zal van mijn feestmaal proeven.”’

 

17 december 2023

“Op een dag zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Verleidingen zullen er altijd zijn. Dat is onvermijdelijk. Maar degene die de verleidingen veroorzaakt, zal het slecht vergaan.”              – Lucas 17:1

Wat is verleiding? Kunnen dagelijkse dromen en verlangens als een verleiding worden beschouwd? Alles wat iemands leven zuur maakt is een verleiding. God heeft de mens geschapen om perfect te worden, gezond en gelukkig te zijn, maar dat zien we niet in. Sommige mensen zijn namelijk een valstrik en een valkuil voor anderen, dus een verleiding schaadt de mens.

Jezus zegt dat verleiding onvermijdelijk is. Als dat zo is, hoe kunnen we verleiding vermijden, ons ertegen beschermen of er weerstand tegen bieden? Verleiding zit in de lucht, omdat het een onlosmakelijk onderdeel is van ons zondige leven. We zijn geboren en leven in verleiding, overal om ons heen is er verleiding. Als we onze ogen openen, de straat opgaan, tv kijken of onze vrienden ontmoeten. Er is er overal verleiding wat kan leiden tot zonde, want zonde begint met verleiding. Net zoals de slang Adam en Eva verleidde door hen goed en kwaad te laten zien, hebben wij dit ons hele leven gezien. We hebben veel kwade verschijningen aangenomen als iets goeds. Zowel zondes als heiligheid zijn besmettelijk, daarom kunnen we soms onbewust of bewust een verleiding voor anderen zijn. We moeten voorzichtig zijn, want de zonde verspreidt zich door besmetting. We moeten oppassen dat we niet de bron worden van de verspreiding van zonde. Leugens, roddels, wreedheid, meedogenloosheid en haat moeten in onszelf stoppen, zodat we ze niet op anderen overdragen.

Een gelovige kan geen barrière zijn voor verleidingen, hij kan geen zonden verbieden. Sinds de tijd van Abel en Kaïn zijn er zonden in de wereld geweest en de mens kan daar geen verbod voor zijn, maar niemand kan hem tegenhouden of dwingen om de zonde te begaan. Een mens hoeft niet te roddelen, te vloeken of te liegen, ook al weet hij wat ze zijn, maar dat zou niet moeten. Een mens hoeft niet per se een obstakel te zijn voor een ander, maar hij kan wel een obstakel zijn voor zijn eigen leven, omdat de straf anders groter is. Jezus zegt: ‘Het zou goed voor hem zijn als hij met een molensteen om zijn hals de zee in was geworpen, dan een van deze kleintjes te verleiden”. Is verleiding verwerpelijker dan zelfmoord? Uiteraard suggereert Jezus in dit geval geen zelfmoord, maar hiermee benadrukt hij de ernst van de verleiding nog meer. Want als iemand met het leven van een ander speelt, zal hij in werkelijkheid met zijn leven moeten boeten. Hoewel de mens in deze wereld wel aan gerechtigheid kan ontsnappen, kan dat in de hemelse wereld niet en daarom moet hij voorzichtig zijn met verleidingen.

Een persoon kan een zonde tegen zichzelf begaan, hij kan veel fouten en zwakheden hebben en maar hij moet zich verantwoorden voor God en God is genadig. Als echter de zonde uit iemand komt en er een kettingreactie van zondes ontstaat, dan is het resultaat verschrikkelijk, omdat die ketting veel mensen omhult en hun leven vernietigt. Wie is er in dit geval verantwoordelijk? De Heer Jezus zegt daarom dat een mens heel voorzichtig moet zijn, omdat iemand verantwoordelijk is voor zijn zonde, maar als hij in de verleiding komt aan iemand anders, daar ook verantwoordelijkheid voor draagt. Een mens zou met dit bewustzijn moeten leven, omdat spelen met andermans levens niet gemakkelijk is, aangezien God daarna met onze levens zal spelen. Als een mens daarom een ander niet kan helpen, zou hij in ieder geval voor niemand een verleiding moeten zijn. De mens moet in ieder geval voorzichtig zijn en begrijpen dat hij al genoeg last te dragen heeft, ziek is van de zondes en zich die verleidingen moet herinneren. Met gebed moeten we de Heer genade vragen om daarmee bevrijd te worden van de verleidingen van deze wereld.

Evangelie: Lucas 17:1-10

Oproep aan de leerlingen

171Tegen zijn leerlingen zei Hij: ‘Het is onvermijdelijk dat er valstrikken zijn, maar wee degene die ervoor verantwoordelijk is! 2Het zou beter voor hem zijn als hij met een molensteen om zijn nek in zee werd geworpen dan dat hij ook maar een van deze geringe mensen ten val zou brengen. 3Let dus goed op jezelf!

Indien een van je broeders of zusters zondigt, spreek die dan ernstig toe; en als ze berouw hebben, vergeef hun. 4En als ze zevenmaal op een dag tegen je zondigen en zevenmaal naar je terugkeren en zeggen: “Ik heb berouw,” dan moet je hun vergeven.’

5Toen zeiden de apostelen tegen de Heer: ‘Geef ons meer geloof!’ 6De Heer zei: ‘Als jullie geloof hadden als een mosterdzaadje, zouden jullie tegen die moerbeiboom zeggen: “Trek je wortels uit de grond en plant jezelf in de zee!” en hij zou jullie gehoorzamen.

7Als iemand van jullie een knecht heeft die ploegt of de kudden weidt, dan zal hij, wanneer die thuiskomt van het land, toch niet tegen hem zeggen: “Kom aanliggen en eet mee”? 8Zal hij niet veel eerder tegen hem zeggen: “Maak iets te eten voor me klaar, doe je gordel om en bedien me terwijl ik eet en drink, en daarna kun je zelf eten en drinken”? 9Hij bedankt de knecht toch niet omdat die gedaan heeft wat hem is opgedragen? 10Hetzelfde geldt voor jullie; wanneer jullie alles gedaan hebben wat jullie is opgedragen, zeg dan: “Wij zijn maar eenvoudige knechten, we hebben enkel onze plicht gedaan.”’

 

24 december 2023

Jezus Christus vertelt een gelijkenis over hoe een man naar een vreemde wereld ging om zijn koninklijke macht te ontvangen en daarmee naar zijn land terug te keren. Hij riep tien van zijn dienaren, gaf ieder van hen tien goudstukken en beval: ‘Win dit goud tot ik terugkom.’ De burgers haatten hem en door een plaatsvervanger te sturen, gaven zij te kennen dat zij niet wilden dat hij hun koning zou worden. Toen deze edelman terugkeerde nadat hij zijn koninkrijk had overgenomen, riep hij de bedienden aan wie hij geld had gegeven om erachter te komen wie hoeveel had gewonnen.

De eerste kwam en zei dat hij nog eens tien goudstukken had gewonnen voor wat hij gaf. De Heer prees hem en benoemde hem tot heerser over tien steden. De tweede kwam en kondigde aan dat hij 5 voor één had gewonnen. De Heer prees en stelde als beloning een heerser over vijf steden aan. De derde kwam en zei. ‘Meneer, hier is het goudstuk dat u mij gaf, ik bewaarde het in een envelop in een zakdoek. Ik was bang voor u omdat u een streng persoon bent. U neemt wat niet van u is en oogst wat u niet hebt gezaaid.” De edelman zei: ‘Slechte dienaar, ik zal je beoordelen met je woorden. Als je wist dat ik een streng persoon was, waarom heb je het goudstuk dan niet aan speculanten gegeven, zodat ik een percentage van mijn rendement kon eisen?’ Toen zei hij tegen de bedienden. “Neem het goudstuk hiervan en geef hem aan degene die het tienvoudige heeft gewonnen maar weet,” zei hij, “aan degene die heeft, zal er meer worden gegeven en van degene die niet heeft, zelfs het kleinste deel van wat hij heeft, zal meegenomen worden” (Lucas 19:11-28).

Deze gelijkenis gaat over ons leven en onze dood, maar ook over de wederkomst van Christus, hoe we ons leven moeten leiden, zodat we na de dood zonder angst voor Gods oordeel staan. Toen Christus naar de hemel opsteeg om Zijn vroegere macht en glorie te herwinnen, deelde Hij eerst geschenken uit, naar het voorbeeld van de edelman in deze gelijkenis, waarbij Hij geen van Zijn dienaren verwaarloosde. Niemand bleef zonder genade achter, omdat God niemand vergat. Tegelijkertijd eiste hij van iedereen dat hij zijn gaven gebruikte om het goede te creëren. De Heer zal ons verantwoordelijk houden voor de manier waarop we zijn genaden hebben gebruikt. Dit is waar we ons tijdens ons leven op moeten voorbereiden, wat de zin van ons leven is.

In de gelijkenis zien we het voorbeeld van de luie dienaar die wat zijn meester hem gaf in een envelop bewaart om het niet te verliezen. De Heer vertrouwt ieder van ons, zoals in de gelijkenis, de edelman die zijn dienaren de gelegenheid gaf om vrijelijk over zijn gaven te beschikken. We doen vandaag niets en we rechtvaardigen onze passiviteit door te zeggen: “Ik kan grote dingen doen, kleine dingen zijn niets voor mij.” Jezus deed ogenschijnlijk kleine dingen voordat hij dertig jaar oud was. Hij was timmerman en hielp zijn ouders met zijn werk. Christus bekritiseerde ook de christenen omdat zij de wet ontvingen en niets deden, maar het was noodzakelijk om de wet te begrijpen door aan de vereisten van de wet te voldoen en het goede te creëren.

Verantwoordelijkheid en genade zijn een onafscheidelijke realiteit. Het maakt niet uit hoeveel er iemand wordt gegeven, het belangrijkste is om de genade die ons is gegeven te gebruiken en een creatief leven te leiden.

De zin van het leven is vermenigvuldigen en verspreiden. Het probleem hier is niet te veel of te weinig geld of genade, maar juist het gebrek aan loyaliteit en toewijding wordt veroordeeld.

Mensen zeggen vaak: ‘Ik wil de genade vinden die mij is gegeven, maar dat kan ik niet.’ In feite kunnen we het niet vinden, omdat we alleen geïnteresseerd zijn in de gaven die God ons heeft gegeven, zodat we het kunnen omhullen en bewaren, zodat we het niet kwijtraken. Als het ons doel is om deze gaven toe te passen, dan hebben we er geen probleem mee om ze te vinden, want het gaat niet om het kiezen van een beroep, maar om leven met deugd.

De meesten van ons komen met een zekere voorzichtigheid naar de kerk en proberen onopgemerkt te blijven, alsof we bang zijn dat God plotseling veel van hen zal eisen… Ieder van ons, die goddelijke genade ontvangt, is geroepen om God en de mensen te dienen. Met andere woorden: we leven niet om straf te vermijden, maar om die te ondergaan, om die onophoudelijk te dienen. Het dienen van God en de mensen is eigenlijk geen verlies of verspilling van energie, maar een prestatie. Zoals het voorbeeld van een brandende kaars, die brandend niet wordt geconsumeerd, maar ervoor zorgt dat uit haar licht talloze andere kaarsen voortkomen. God geeft ons genade, maar wij verbergen ze, en dat is de reden voor onze tragedies.

Het grootste geschenk van God is tijd, onze levensduur, die als een heilig vat is, dat we aan God moeten teruggeven door het te vullen met heldere en deugdzame daden.

Laten we met dit geloof en dit bewustzijn onze strijd voortzetten, zodat er nieuwe kansen voor ons ontstaan. Laten we ons leven verrijken  met geloof en vertrouwen en zo onze kerk en ons vaderland versterken.

Evangelie: Lucas 19:12-28

12Hij zei: ‘Een man van voorname afkomst ging op reis naar een ver land om het koningschap in ontvangst te nemen en dan terug te keren. 13Hij riep tien van zijn dienaren bij zich, gaf elk van hen één mine zilver en zei tegen hen: “Ga daarmee handeldrijven terwijl ik weg ben.” 14Maar zijn landgenoten haatten hem en stuurden afgevaardigden achter hem aan met de boodschap: “We willen niet dat die man koning over ons wordt!” 15Bij zijn terugkeer, toen hij het koningschap had ontvangen, liet hij de dienaren aan wie hij het geld had gegeven bij zich roepen om te vernemen wat ze met handeldrijven hadden verdiend. 16De eerste kwam en zei: “Heer, uw mine zilver heeft tien mine opgeleverd.” 17Zijn meester zei: “Voortreffelijk, je bent een goede dienaar. Omdat je betrouwbaar bent geweest in iets zeer gerings verleen ik je het bestuur over tien steden.” 18De tweede kwam zeggen: “Uw mine, heer, heeft vijf mine opgebracht.” 19Tegen hem zei hij: “Jij krijgt het bestuur over vijf steden.” 20Toen kwam de derde dienaar, die zei: “Heer, hier is uw mine, die ik in een doek voor u heb bewaard. 21Ik was bang voor u, omdat u een streng man bent die terugvordert wat hij niet heeft gestort en oogst wat hij niet heeft gezaaid.” 22Zijn meester zei tegen hem: “Je bent een slechte dienaar, met je eigen woorden zal ik je veroordelen! Je wist dat ik een streng man ben en terugvorder wat ik niet heb gestort en oogst wat ik niet heb gezaaid? 23Waarom heb je mijn geld dan niet bij de bank in bewaring gegeven? Dan had ik het bij mijn terugkeer met rente kunnen opeisen.” 24En tegen degenen die erbij stonden zei hij: “Neem hem zijn mine af en geef die aan de knecht die er tien verworven heeft.” 25Ze zeiden tegen hem: “Heer, hij heeft er al tien!” 26“Ik zeg jullie: wie heeft zal nog meer krijgen; maar wie niets heeft, hem zal zelfs het laatste worden ontnomen. 27En die vijanden van mij die niet wilden dat ik koning over hen werd, breng hen hier en dood ze voor mijn ogen.”’

28Na deze woorden trok Jezus verder, op weg naar Jeruzalem.

 

31 december 2023

«Եվ նրանց մեջ հակաճառություն առաջացավ, թե իրենցից ով պիտի մեծ համարվի: Եվ նա նրանց ասաց. ՙԱզգերի թագավորները տիրում են իրենց ժողովուրդների վրա, և նրանք, որ իշխում են նրանց վրա, բարերարներ են կոչվում: Բայց դուք այդպես չլինեք, այլ` ով որ մեծ է ձեր մեջ, թող լինի ինչպես կրտսերը, իսկ առաջնորդը`ինչպես սպասավորը: Ո՞վ է մեծ. սեղան նստո՞ղը, թե՞ սպասավորը: Չէ որ` սեղան նստողը: Բայց ես ձեր մեջ եմ իբրև սպասավոր»: Ղուկ. 22.24-27

Սուրբ Գրքից մենք տեղեկանում ենք Աստծո անսպառ սիրո մասին և այդ սիրո արդյունքում Նրա ողորմության և գթառատությանն ենք հանդիպում ամենուրեք, բայց ինչպես գիտենք՝ Աստծո սիրո բարձրակետն է համարվում Իր Միածին Որդու՝ մեր Տեր Հիսուս Քրիստոսի, աշխարհ գալն ու երկրային կյանքի ընթացքում Իր կատարած ծառայություններն ու, ի վերջո, խաչելությունն ու հարությունը։ Մեր Տերը պատգամ թողեց մեզ միմյանց ծառայելու` ասելով՝ ով ձեզանից մեծն է թող ձեր սպասավորը լինի, ինչպես որ դուք ինձ Տեր եք անվանում, բայց ես ձեր մեջ եմ՝ իբրև սպասավոր, այդպես էլ դուք եղեք միմյանց նկատմամբ։ Ծառայասիրությունը սիրո և խոնարհության ապացույցներն են մեր կյանքում, ինչպես Քրիստոս ասաց ինձանից սովորեք, որ սրտով հեզ եմ և հոգով խոնարհ, այդպես նաև մենք պետք է հեզության ու խոնարհության մեջ հաստատված լինելով՝ սիրենք միմյանց, ու այդ սիրո արդյունքում կծնվի միմյանց ծառայելու, միմյանց սպասավորելու բարձրագույն մտածելակերպը։

Այսօր մենք ամենքս՝ թե՛ աշխարհական, թե՛ հոգևորական, սպասավորում ենք ինչ-որ նպատակի համար ու այդ սպասավորության մեջ, եթե մենք սեր ու խոնարհություն չենք դնում, ապա դառնում ենք մեր կատարած ծառայության ստրուկը, քանի որ այն դառնում է պարտադրանք և դրանով մեր կատարած ծառայությունը վերածվում է աշխատանքի՝ չսիրված աշխատանքի։

Աստված մարդացավ՝ մարդուն ծառայելու համար, ոչ թե մարդուց ծառայություն ստանալու: Հիսուս ասաց՝ «չեկա ձեզանից ծառայություն ընդունելու, եկա ձեզ ծառայություն մատուցելու»: Ոչ թե ասեց խոսքով, այլ խոնարհվեց, աշակերտների ոտքերը լվաց, կույրի աչքը և խուլի ականջը բժշկեց, անդամալույծին քայլել, համրին խոսել և նույնիսկ մեռյալին կյանք տվեց: Աստված հեռավոր ու անհասանեի չէ երկինքներում բազմած: Նա երևակայված, մտածված գաղափար չէ:

Աստված կյանք է, միտք է և Ինքը Իրեն ընծայեց մարդկությանը Իր հայտնության մեջից և այդ հայտնության գագաթնակետը եղավ Ինքը՝ Աստվածորդին, որ մարմնացավ, «ծնվեց Նոր Արքայ՝ Բեթղեհէմ քաղաքում»: Բայց այս Նոր Արքան Իր նորությունը այն բանի մեջ էր տեսնում, որ այդ օրերի արքաներին, հերովդեսներին, Հռոմի կայսրերին չէր նմանվում, որոնք ժողովրդին շահագործում էին, Հիսուս ժողովուրդին ծառայելու համար ծնվեց. «Խաղաղություն երկրի վրա և հաճություն մարդկանց միջև» (Ղուկ. 2:14):

Մենք՝ իբրև քրիստոնյա ժողովուրդ, որ լավ գիտենք Աստծո կամքը, լինենք ու մնանք մեր պատկերի ու նմանությանը հավատարիմ։ Մենք ունենք Աստծո պատկերն ու նմանությունը, բայց շատ հաճախ ծուլանում ենք մեր ծառայասիրության մեջ. միմյանց նկատմամբ ունեցած սիրո և հավատարմության մեջ։ Միմյանց նկատմամբ ունեցած կատարյալ սիրո միջոցով կարող ենք փաստել, որ Աստծուն սիրում ենք, և այդ սիրո արդյունքում կատարված սպասավորությունն էլ կփաստի Աստծո պատկերի ու նմանության մեջ հավատարիմ մնալը։ Մեր ծառայության մեջ հասնելով կատարելության` փոխանցենք Աստծո խոսքը՝ իբրև պատգամ և պաշտպանենք դեպի Աստված եկող մեր ժողովրդին։

Evangelie: Lucas 22:24-30

24Toen ontstond er onder hen onenigheid over de vraag wie van hen de belangrijkste was. 25Jezus zei tegen hen: ‘Vorsten oefenen heerschappij uit over de aan hen onderworpen volken, en wie macht heeft laat zich weldoener noemen. 26Laat dat bij jullie niet zo zijn! De belangrijkste van jullie moet de minste worden en de leider de dienaar. 27Want wie is belangrijker: degene die aanligt om te eten of degene die bedient? Is het niet degene die aanligt? Maar Ik ben in jullie midden als iemand die dient.

28Jullie zijn in al mijn beproevingen steeds bij Mij gebleven. 29Ik bestem jullie voor het koningschap zoals mijn Vader Mij voor het koningschap bestemd heeft: 30jullie zullen in mijn koninkrijk eten en drinken aan mijn tafel, en zetelen op een troon om recht te spreken over de twaalf stammen van Israël.