3 mei 2020

“Wees waakzaam, wees op uw hoede, want uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi.” (1 Petrus 5: 8)

Deze zondag hebben de kerkvaders rood of heiligen genoemd. Rood is de kleur van liefde die de hoogten van Golgotha schilderde, zodat de duisternis van de menselijke ziel kon worden getransformeerd in heldere en lichtgevende gaven van de Heilige Geest, in de juwelen van deugd en de onschatbare parels van goddelijke wijsheid. De rode kleur is ook de kleur van de strijd. Dat is wat zowel de Kerk drijft als iedere individuele christen. Deze strijd zal worden bekroond met de overwinning, als we ons niet laten leiden door onze schuldige, trotse ego maar door de belichaming van de allerhoogste nederigheid, de mens geworden, verrezen en overwonnen Jezus Christus.

Deze strijd is onzichtbaar en ontastbaar. Als een persoon geen spirituele visie heeft, ofwel voldoende kennis, spirituele ervaring en grote nederigheid, dan kan hij die oorlog heel gemakkelijk verliezen en zijn onbetaalbare, onsterfelijke ziel verliezen. In een van de lezingen van vandaag waarschuwt de apostel Petrus: “Wees waakzaam, wees op uw hoede, want uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi. Stel u tegen hem teweer, gesterkt door uw geloof, in het besef dat uw broeders en zusters, waar ook ter wereld, onder hetzelfde leed gebukt gaan.” (1 Petrus 5:8-9). Dit is een zeer belangrijke waarschuwing, en het is niet tevergeefs dat de heilige Apostel zich hier zorgen over maakt, omdat de apostel, vol goddelijke wijsheid, zich wonderwel bewust is van de zwakke menselijke natuur, die vatbaar is voor verschillende zwakheden.

Net zoals het fysieke lichaam ‘s ochtends wakker wordt met verse krachten, nieuwe energie en een heldere geest, maar overdag wordt het moe, verzwakt het en beginnen de ogen te sluiten en tenslotte gaat het slapen. Zo is ook de ziel als we onze spirituele waakzaamheid niet houden. Denk aan je eerste stappen in de kerk, of kijk naar de bekering van nieuwelingen. Wat een energie, wat een vreugde, hoeveel belangstelling, ijver en angst is er in hun ogen en daden! Maar na verloop van tijd komt onze zwakke natuur weer op, en we merken niet eens hoe de ogen van de ziel geleidelijk worden verzwaard door de last van onze passies, de stem van ons geweten wordt tot zwijgen gebracht en we bevinden ons in de dodelijke klauwen van mentale luiheid, passiviteit en onverschilligheid. Zonder wroeging zijn we afwezig van de heilige liturgie of lopen we halverwege naar buiten en waarderen we het onschatbare offer van Christus niet. Het offer waardoor we leven en hoop hebben op redding. We lezen het evangelie niet, we luisteren niet naar preken, aangezien we achten dat we genoeg kennis hebben. Wij belijden onze zonden niet, want we stoppen ze te zien als gevolg van geestelijke blindheid. We houden op met elkaar lief te hebben, elkaar te respecteren en te vergeven, en negeren het belangrijkste gebod “Heb uw naaste lief als uzelf” (Marcus 12:30), omdat we onszelf trots beschouwen als ‘ervaren gelovigen.’

Als we onze geestelijke wapens opzij zetten en de verdediging verzwakken, brengen de door verleidingen vergiftigde pijlen van de vijand gemakkelijk schade aan onze ziel. Onverschilligheid, luiheid, verdriet en wanhoop zijn gevaarlijke toestanden voor onze ziel. Daarom roept de apostel op tot ontwaken en herinnert ons aan de eeuwige vijand. Daarom dringt Christus aan op: “Blijf wakker en bid dat jullie niet in beproeving komen; de geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.” (Marcus 14:38).

Laten we de kostbare schatten bewaren die de Here God ons heeft gegeven, de onsterfelijke ziel en een standvastige geloof. Wees vastberaden in onze strijd. Laten we niet ontmoedigd worden, laten we niet wanhopen, laten we niet bang zijn, want Jezus Christus heeft de wereld overwonnen (Johannes 16:33), en laat het oneindige licht van het Koninkrijk van de hemel onze koers verlichten en ons naar de eeuwige overwinning leiden.

 

Evangelie: Marcus 4:26-34

26En hij zei: ‘Het is met het ​koninkrijk van God​ als met een mens die ​zaad​ uitstrooit op de aarde: 27hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het ​zaad​ ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe. 28De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar, en dan het rijpe graan in de aar. 29Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat hij er de ​sikkel​ in, omdat het tijd is voor de ​oogst.’

30En hij zei: ‘Waarmee kunnen we het ​koninkrijk van God​ vergelijken en door welke ​gelijkenis​ kunnen we het voorstellen? 31Het is als een zaadje van de mosterdplant, het kleinste van alle zaden op aarde wanneer het ​gezaaid​ wordt. 32Maar als het na het ​zaaien​ opschiet, wordt het het grootste van alle planten en krijgt het grote takken, zodat de vogels van de hemel in zijn schaduw kunnen nestelen.’

33Met zulke en andere ​gelijkenissen​ verkondigde hij hun Gods boodschap, voor zover ze die konden begrijpen; 34hij sprak alleen in ​gelijkenissen​ tegen hen, maar wanneer hij alleen was met zijn ​leerlingen, verklaarde hij hun alles.

 

 

10 mei 2020

“Wie een lamp aansteekt, zet hem niet weg in een donkere nis, maar plaatst hem op de standaard, zodat degenen die binnenkomen het licht kunnen zien.” (Lucas 11:33)

De gelovige is de lamp die het leven gevende licht van God draagt, die hij heeft aangestoken van de ware lamp die Christus’ licht draagt en de duisternis van deze wereld en de mensheid verlicht, de Kerk. Dit is een buitengewoon grote verantwoordelijkheid die de hemelse Vader en de Moederkerk hun toegewijde kinderen hebben toevertrouwd. “Wie een lamp aansteekt, zet hem niet weg in een donkere nis, maar plaatst hem op de standaard, zodat degenen die binnenkomen het licht kunnen zien.” (Lucas 11:33).

De Heer zegt ook: “Als je hele lichaam verlicht is, zonder dat ook maar een deel in duisternis verkeert, dan is het zo licht als wanneer een lamp je met zijn stralen verlicht.” (Lucas 11:36). Dit betekent dat wij voorzichtig moeten zijn dat het licht in ons duister wordt. Ofwel als het licht van Christus ons hart heeft geraakt is dat geen garantie dat het licht in ons niet kan doven gedurende ons leven. Dus wij moeten onszelf afvragen waar onze gedachten zich van voeden, met welke ideeën we ons vormen en wat we doen, zodat dit licht niet dooft en omgevormd wordt tot duisternis. Het licht brengt goedheid voort en gerechtigheid en waarheid. Onderzoek wat de wil van de Heer is. Neem geen deel aan de vruchteloze praktijken van de duisternis” (Efeziërs 5:9-11). De apostel geeft aan wat de manier is om de onbeschrijflijke goddelijke licht te beschermen en de duisternis te vermijden.

We hebben een scherpe geestelijke zicht nodig, onze gedachten moeten attent zijn en gevestigd op een sterk geloof en goddelijke wijsheid om de waarheid te onderscheiden van het valse. Om niet te verdwalen in de duistere wegen van deze wereld en om met een door Christus’ licht opgelaaide geest de rusthaven van vrede te bereiken.

Om dit alles te bereiken moeten we onze gedachten voeden met de woorden van Schenker van het Goede. Profeet David zingt: “Uw woord is een lamp voor mijn voet, een licht op mijn pad.” (Psalm 119:105). Dus de Bijbel moet ons dagelijks brood zijn voor onze gedachten, zodat we duidelijk het pad van verlossing zien, waarop we voortgaan. Door de Heilige Geest geïnspireerde geschriften van de Kerkvaders moeten we alle dwaalleren, verkeerde interpretaties en valse ideeën uit onze gedachten weren, want deze vergiftigen en verzieken het bewustzijn van de mens. Gebeden en hymnes moeten onze gedachten behoeden en wakker houden en de relatie met de Vader en Schepper vasthouden.

Vandaag viert onze kerk de verschijning van het heilige Kruis. 17 eeuwen geleden waren de bewoners van Jeruzalem, christenen of heidenen, getuige van het verschijnen van het teken van het heilige Kruis, die uren lang verscheen aan de hemel in Jeruzalem. De verschijning versterkte het geloof van de volgers van Christus en was de aanleiding voor het bekeren van vele verdwaalde zielen.

Op die dag gingen vele harten, dorstig naar de waarheid en het verlossende licht, vanuit alle hoeken van de stad naar de Kerk. Vanuit de hemel schijnende teken toonde de mensen de enige plaats waar het licht van de goddelijke waarheid altijd wordt behouden. Laten we onze zielen verplaatsen naar de hemelse koepel in Jeruzalem waar de teken van het heilige Kruis scheen, zodat die schijnt met het ondoofbare Vuur en het levende Licht oplaait en brandend blijft en ieder van ons de lamp wordt die licht schijnt en diegenen die zoeken naar het ware Licht, licht en warmte vinden.

 

Evangelie: Lucas 11:33 – 12:12

33Wie een ​lamp​ aansteekt, zet hem niet weg in een donkere nis, maar plaatst hem op de standaard, zodat degenen die binnenkomen het licht kunnen zien. 34Het oog is de ​lamp​ van het lichaam. Als je oog helder is, is je hele lichaam verlicht. Maar als het troebel is, verkeert je lichaam in duisternis. 35Let dus op of het licht dat in je is, niet verduisterd is. 36Als je hele lichaam verlicht is, zonder dat ook maar een deel in duisternis verkeert, dan is het zo licht als wanneer een ​lamp​ je met zijn stralen verlicht.’

Confrontatie met farizeeën en schriftgeleerden

37Toen hij uitgesproken was, nodigde een ​farizeeër​ hem uit voor de maaltijd. Hij ging naar binnen en ging aan ​tafel​ ​aanliggen. 38Toen de ​farizeeër​ dat zag, verwonderde hij zich erover dat hij zich niet eerst gewassen had voor de maaltijd. 39Maar de ​Heer​ zei tegen hem: ‘Ach, jullie ​farizeeën! De buitenkant van de ​beker​ en de schotel ​reinigen​ jullie, maar jullie eigen binnenkant is vol roofzucht en slechtheid. 40Dwazen, heeft hij die de buitenkant gemaakt heeft niet ook de binnenkant gemaakt? 41Geef liever de inhoud van ​beker​ en schotel als ​aalmoes, dan is niets meer ​onrein​ voor jullie! 42Maar wee jullie ​farizeeën, want jullie geven ​tienden​ van munt, wijnruit en andere kruiden, maar gaan voorbij aan de ​gerechtigheid​ en de ​liefde​ tot God; je zou het een moeten doen zonder het andere te laten. 43Wee jullie ​farizeeën, want jullie zitten graag op een ereplaats in de ​synagoge​ en worden graag begroet op het marktplein. 44Wee jullie, want jullie zijn als ongemarkeerde graven waar de mensen overheen lopen zonder het te weten.’

45Daarop zei een ​wetgeleerde​ tegen hem: ‘Meester, door die dingen te zeggen beledigt u ook ons.’ 46Maar ​Jezus​ zei: ‘Wee ook jullie, ​wetgeleerden! Want jullie leggen de mensen ondraaglijke lasten op, maar raken die zelf met geen vinger aan. 47Wee jullie, want jullie bouwen graftomben voor de profeten, terwijl jullie voorouders hen hebben gedood. 48Jullie zijn getuigen die instemmen met de daden van jullie voorouders, want zij hebben hen gedood en jullie bouwen de tomben! 49Daarom heeft God in zijn wijsheid gezegd: “Ik zal profeten en ​apostelen​ naar hen zenden, maar ze zullen sommigen van hen doden en anderen vervolgen.” 50Voor het bloed van al de profeten dat sinds de grondvesting van de wereld vergoten is, zal van deze generatie genoegdoening worden geëist, 51van het bloed van ​Abel​ tot het bloed van Zecharja, die omkwam tussen het ​brandofferaltaar​ en het ​heiligdom. Ja, ik zeg jullie, van deze generatie zal genoegdoening worden geëist! 52Wee jullie ​wetgeleerden, want jullie hebben de sleutel tot de kennis weggenomen; zelf zijn jullie niet binnengegaan, en anderen die wel binnen wilden gaan hebben jullie tegengehouden.’ 53Toen hij het huis verliet, waren de ​schriftgeleerden​ en de ​farizeeën​ uitzinnig van woede; ze begonnen hem over van alles uit te vragen, 54in een arglistige poging om hem te betrappen op een ongeoorloofde uitspraak.

Onderricht aan de leerlingen en de menigte

121Intussen had er zich een enorme menigte verzameld. De mensen verdrongen elkaar, maar hij richtte zich eerst tot zijn ​leerlingen: ‘Hoed je voor de ​zuurdesem, dat wil zeggen de huichelarij van de ​farizeeën. 2Niets is verborgen dat niet onthuld zal worden, en niets is geheim dat niet bekend zal worden. 3Alles wat jullie in het duister zeggen, zal in het licht worden gehoord, en wat jullie binnenskamers in iemands oor fluisteren, zal vanaf de daken bekend worden gemaakt. 4Tegen jullie, mijn vrienden, zeg ik: wees niet bang voor degenen die het lichaam kunnen doden, maar niet tot iets ergers in staat zijn. 5Ik zal jullie zeggen voor wie je bang moet zijn. Wees bang voor hem die de macht heeft om iemand niet alleen te doden maar ook in de ​Gehenna​ te werpen. Ja, ik zeg jullie, wees bang voor hem! 6Wat kosten vijf ​mussen? Bijna niets. Toch wordt er niet één door God vergeten. 7Zelfs de haren op jullie hoofd zijn alle geteld. Wees niet bang, jullie zijn meer waard dan een hele zwerm ​mussen. 8Ik zeg jullie: iedereen die mij erkent bij de mensen, zal ook door de ​Mensenzoon​ worden erkend bij de ​engelen​ van God. 9Maar wie mij verloochent bij de mensen, zal verloochend worden bij de ​engelen​ van God. 10En iedereen die iets ten nadele van de ​Mensenzoon​ zegt, zal worden ​vergeven. Maar wie lastertaal spreekt tegen de ​heilige​ Geest zal niet worden ​vergeven. 11Wanneer ze jullie voor de ​synagogen​ en de autoriteiten en het gerecht slepen, vraag je dan niet bezorgd af hoe of waarmee je je moet verdedigen of wat je moet zeggen, 12want de ​heilige​ Geest zal jullie op dat moment ingeven wat je moet zeggen.’

 

 

17 mei 2020

“Zout is iets goeds. Maar als ook het zout zijn smaak verliest, hoe kunnen we het dan zijn kracht teruggeven? Ook voor de bemesting van de grond is het niet meer bruikbaar, dus wordt het weggegooid. Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!” (Lukas 14:34, 35)

Christus vergelijkt gelovigen met zout. Als gelovigen moeten we zout worden voor de mensen om ons heen, en christelijke liefde verspreiden overal, in elke relatie, in elk werk en in elk probleem.

Waarom maakt Christus de vergelijking juist met zout? Omdat zout een van de beste voorbeelden is van opoffering, liefde en toewijding. Zout is niet zichtbaar in voedsel, net als het leven van een christen. Een christen streeft ernaar om zo waardevol te zijn als zout en tegelijkertijd zijn werken niet opvallend te maken. Een christen moet ook weten dat een offer alleen gewaardeerd als het met liefde wordt gedaan. Zoals de apostel Paulus zegt: “Als ik al mijn bezittingen aan de armen geef en dit lichaam van mij laat verbranden, had ik de liefde niet, het zou mij niet baten” (1 Korintiërs 13:3). Het is dus niet genoeg om als zout te smelten om voedsel smaak te geven. Het is noodzakelijk om liefde te hebben, mensen liefde te geven en liefde samen te smelten met het werk.

In het evangelie van Mattheüs vergelijkt Christus, samen met zout, de mens met licht. “Jullie zijn het licht in de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Men steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee men zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. Zo moeten jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel (Mattheüs 5:14-16). Allereerst moet worden gezegd dat Christus zelf “het ware Licht is, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam” (Johannes 1:9). Dat wil zeggen dat de Heer ons aanspoort om zoals Hem te zijn en een licht voor de mensen te zijn.

Zoals in alle tijden voelen mensen tegenwoordig ook de behoefte voor liefde, zorg en aandacht. Katholicos Garegin I zegt dat de achtste doodzonde onverschilligheid is. Wij christenen moeten het leven dat God ons heeft gegeven als licht kunnen maken, niet alleen waardevol voor ons, maar ook voor de mensen om ons heen.

Christus leert om op te vallen met goede, maar niet opzichtige daden, die het leven van mensen verlichten. Dus aan de ene kant moet de liefde van een christen als licht schijnen, belangrijk zijn, in eerste instantie voor het zicht van de mensen, en aan de andere kant, zoals zout versmelt in voedsel en smaakt geeft, zo moet de christelijke liefde ernaar streven om smaak en reuk te brengen in het leven van de mensen.

 

Evangelie: Lucas 14:25 – 15:32

Het volgen van Jezus

25Grote mensenmenigten trokken met ​Jezus​ mee. Hij wendde zich tot hen en zei: 26‘Wie mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder en vrouw en ​kinderen​ en broers en zusters, ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet mijn ​leerling​ zijn. 27Wie niet zijn ​kruis​ draagt en mij op mijn weg volgt, kan niet mijn ​leerling​ zijn.

28Want wie van jullie die een ​toren​ wil bouwen gaat niet eerst de kosten berekenen, om te zien of hij wel genoeg heeft voor de bouw? 29Als hij het fundament gelegd heeft maar de bouw niet kan voltooien, zal iedereen die dat ziet hem uitlachen 30en zeggen: “Die man begon te bouwen, maar het karwei afmaken kon hij niet.” 31En welke ​koning​ die eropuit trekt om met een andere ​koning​ ​oorlog​ te voeren, zal niet eerst bij zichzelf te rade gaan of hij wel met tienduizend man kan optrekken tegen iemand die met twintigduizend man tegen hem oprukt? 32Als hij dat niet kan, stuurt hij eerst, wanneer de troepen nog ver van elkaar verwijderd zijn, een gezant om naar de voorwaarden voor ​vrede​ te vragen. 33Zo geldt ook voor jullie: wie geen afstand doet van al zijn bezittingen, kan mijn ​leerling​ niet zijn. 34Zout is iets goeds. Maar als ook het zout zijn smaak verliest, hoe kunnen we het dan zijn kracht teruggeven? 35Ook voor de bemesting van de grond is het niet meer bruikbaar, dus wordt het weggegooid. Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’

De zorg om wat verloren is

151Alle ​tollenaars​ en zondaars kwamen hem opzoeken om naar hem te luisteren. 2Maar zowel de ​farizeeën​ als de ​schriftgeleerden​ zeiden morrend tegen elkaar: ‘Die man ontvangt zondaars en eet met hen.’ 3Jezus​ vertelde hun toen deze ​gelijkenis: 4‘Als iemand van u honderd schapen heeft waarvan er één verloren is geraakt, laat hij dan niet de negenennegentig andere in de woestijn achter om naar het verdwaalde dier op zoek te gaan tot hij het gevonden heeft? 5En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol vreugde op zijn schouders 6en gaat hij naar huis. Daar roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tegen hen: “Deel in mijn vreugde, want ik heb het schaap gevonden dat verdwaald was.” 7Ik zeg u: zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die tot inkeer komt dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen inkeer nodig hebben.

8En als een vrouw tien drachmen heeft en er één verliest, steekt ze toch de ​lamp​ aan, veegt het hele ​huis​ schoon en zoekt ze alles af tot ze het muntstuk gevonden heeft? 9En als ze het gevonden heeft, roept ze haar vriendinnen en buren bijeen en zegt: “Deel in mijn vreugde, want ik heb de drachme gevonden die ik kwijt was.” 10Zo, zeg ik u, heerst er ook vreugde onder de ​engelen​ van God over één zondaar die tot inkeer komt.’

11Vervolgens zei hij: ‘Iemand had twee zonen. 12De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. 13Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte. 14Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een zware hongersnood, en begon hij gebrek te lijden. 15Hij vroeg om werk bij een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden. 16Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem. 17Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. 18Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, 19ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.” 20Hij vertrok meteen en ging op ​weg​ naar zijn vader.

Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem. 21“Vader,” zei zijn zoon tegen hem, “ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden.” 22Maar de vader zei tegen zijn knechten: “Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, doe hem een ​ring​ aan zijn vinger en geef hem ​sandalen. 23Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, 24want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” En ze begonnen feest te vieren.

25De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedanst. 26Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat te betekenen had. 27De knecht zei tegen hem: “Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.” 28Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan, maar zijn vader kwam naar buiten en trachtte hem te bedaren. 29Hij zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ​ongehoorzaam​ geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. 30Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de ​hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.” 31Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. 32Maar we konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden.”’

 

 

24 mei 2020

“Net zo zeker is het dat Christus, die eenmaal is geofferd om de zonden van velen te dragen, voor een tweede maal zal verschijnen om te redden wie hem verwachten” Hebreeën 9:28

Vandaag viert de Armeens-Apostolische Heilige Kerk de Tweede Palmzondag.

De eerste Palmzondag symboliseert de intocht van Christus in Jeruzalem, waar kinderen Hem zegenden en de Eniggeboren Zoon van God werd verheerlijkt. De tweede Palmzondag symboliseert de intocht van Christus in het hemelse Jeruzalem, waar de engelen God verheerlijken.

Het leven is een geschenk van God en gedurende ons leven moeten we God verheerlijken, zoals de kinderen deden bij de intocht van Christus in Jeruzalem. Ze kozen het beste deel – de communicatie met God. Net zoals Christus tegen Martha voor Maria zegt, toen Maria, haar huishoudelijke taken en zelfs gastvrijheid achterwege liet en ervoor koos om naast Christus te zitten en naar Hem te luisteren (Lucas 10:38-42).

Het leven met God is geliefd en nobel, het schaadt de mens niet, maar geneest en zuivert hem alleen. Er is niet alleen bescherming in Gods armen, maar ook onbeschrijfelijke veiligheid, die de mens eindeloos zoekt. Het is onmogelijk om iets in de wereld te bouwen, te creëren of uit te vinden dat iemand een gevoel van veiligheid geeft. Alles is mogelijk als God niet bij ons is. Echter, niets kan ons redden, ons gelukkig maken of ons heiligen, omdat het onze Heer en Redder Jezus Christus is die ons van onze zonden verlost, ons vrede en rust geeft, genezing en troost, hoop en het Koninkrijk.

Voordat de Heer Jeruzalem binnenging, vroegen de blinde mannen van Jericho aan Hem, om genade met hen te hebben. Net als zij moeten we de Heer aanroepen om genade met ons te hebben, om de verhinderingen van onze ziel te genezen, zodat ook wij de stad van de Heer, Jeruzalem, binnen kunnen gaan.

Jezus ging Jeruzalem binnen om gekruisigd en begraven te worden en om te verrijzen voor onze redding. Tot op de dag van vandaag wordt Christus voortdurend geofferd in de heilige kerken, zodat de mens niet voor altijd verloren gaat in zonde en onreinheid, maar om redding en het eeuwige leven hebben. Net als de kinderen moeten we in staat zijn om onze hemelse Ouder lief te hebben met oprechte liefde, Hem ons leven toe te vertrouwen en dan zullen we zeker beschermd tegen de stormachtige winden van dit leven. We zijn kostbaar voor God, want Hij wil onze dood en verlies niet, maar Hij wil onze bekering en redding. Hij heeft ons niet alleen redding geschonken door de kruisiging van Zijn Zoon, maar door de opstanding van Zijn Zoon beloofde Hij de verrijzenis en het eeuwige leven.

 

Evangelie: Marcus 10:46-11:11

46Ze kwamen in ​Jericho. Toen hij met zijn ​leerlingen​ en gevolgd door een grote menigte weer uit ​Jericho​ vertrok, zat daar een blinde bedelaar langs de weg, een zekere ​Bartimeüs, de zoon van Timeüs. 47Toen hij hoorde dat ​Jezus​ uit ​Nazaret​ voorbijkwam, begon hij te schreeuwen: ‘Zoon van ​David, ​Jezus, heb medelijden met mij!’ 48De omstanders snauwden hem toe dat hij zijn mond moest houden, maar hij schreeuwde des te harder: ‘Zoon van ​David, heb medelijden met mij!’ 49Jezus​ bleef staan en zei: ‘Roep hem.’ Ze riepen de blinde en zeiden tegen hem: ‘Houd moed, sta op, hij roept u.’ 50Hij gooide zijn ​mantel​ af, sprong op en ging naar ​Jezus. 51Jezus​ vroeg hem: ‘Wat wilt u dat ik voor u doe?’ De blinde antwoordde: ‘Rabboeni, zorg dat ik weer kan zien.’ 52Jezus​ zei tegen hem: ‘Ga heen, uw geloof heeft u gered.’ En meteen kon hij weer zien en hij volgde hem op zijn weg.

Intocht in Jeruzalem

111Toen ze ​Jeruzalem​ naderden en in de buurt waren van Betfage en Betanië bij de ​Olijfberg, stuurde hij twee van zijn ​leerlingen​ vooruit. 2Hij zei tegen hen: ‘Ga naar het dorp dat daar ligt. Zodra jullie er binnenkomen, zul je daar een ezelsveulen vastgebonden zien staan, dat nog nooit door iemand bereden is; maak het los en breng het hier. 3En als iemand jullie vraagt waarom jullie dat doen, zeg dan: “De ​Heer​ heeft het nodig, hij zal het meteen weer terugsturen.”’ 4Ze gingen op ​weg​ en vonden een veulen dat buiten op straat bij een deur was vastgebonden en ze maakten het los. 5Er stonden een paar mensen die vroegen: ‘Waarom maken jullie dat veulen los?’ 6Ze zeiden wat ​Jezus​ hun had opgedragen te zeggen en de mensen lieten hen begaan. 7Ze brachten het veulen naar ​Jezus​ en legden hun mantels op het dier en hij ging erop zitten. 8Velen spreidden hun mantels uit op de weg, anderen spreidden takken met bladeren uit, die ze in het veld afhakten. 9Allen die voor hem uit liepen of achter hem aan kwamen, riepen luidkeels:

‘Hosanna!

Gezegend hij die komt in de naam van de ​Heer.

10Gezegend het komende koninkrijk van onze vader ​David.

Hosanna in de hemel!’

11Hij trok ​Jeruzalem​ in en ging naar de ​tempel. Nadat hij alles in ogenschouw had genomen, ging hij – want het was al laat geworden – met de twaalf terug naar Betanië.

 

 

31 mei 2020

Vandaag viert onze heilige apostolische kerk het Pinksterfeest.

Met de komst van de Heilige Geest werd er een nieuw hoofdstuk geopend in de geschiedenis van de mensheid die verder zal worden geschreven tot de wederkomst van de Heer. Met de komst van de Heilige Geest werd de fundering van de kerk van Jezus bevestigd en dankzij de gaven van de Heilige Geest konden de wijze en versterkte apostelen het licht van Onze Heer verspreiden over de hele wereld. Het is dankzij Hem dat de kerk er staat; door eeuwen en diverse beschavingen heen heeft ze het overleefd, door perioden van vernietiging en goddeloosheid. Op de dag van vandaag staat ze nog steeds sterk tegen alle stormen van de wereld en dit voor de glorie van de Heer Jezus Christus en de redding van Zijn getrouwe volgelingen.

De lezing van vandaag brengt ons mentaal naar de Bovenzaal in Jeruzalem, waar de Heer Jezus Christus de laatste openbaringen deed voor Zijn geliefde apostelen en de laatste raad gaf voor Zijn lijden en kruisiging. “Dit alles zeg ik tegen jullie nu ik nog bij jullie ben. Later zal de Pleitbezorger, de Heilige Geest die de Vader jullie namens Mij zal zenden, jullie alles duidelijk maken en alles in herinnering brengen wat Ik tegen jullie gezegd heb”, zei Christus en vervolgde: “Ik laat jullie vrede na; Mijn vrede geef ik jullie, zoals de wereld die niet geven kan. Maak je niet ongerust en verlies de moed niet” (Johannes 14: 25-27).

Welke vrede heeft de Verlosser ons nagelaten, en hoe verhoudt deze zich tot Pinksteren? De vrede van Christus is de rust van de ziel die “niet is zoals die in de wereld wordt gegeven”. Dit is de vrede die de priester die de liturgie viert ons tientallen keren wenst in de hele heilige liturgie en wij antwoorden dat wij hem hetzelfde wensen voor zijn ziel. Het is dit verlangen naar vrede dat de kluizenaar ertoe dwingt de vreugdes en genoegens van de wereld op te geven en op de bergen en in woestijnen zichzelf af te zonderen. Veel mensen zijn op zoek naar deze vrede, maar slechts enkelen vinden dit, omdat ze hiernaar op zoek zijn op deze wereld, door valse filosofieën en hulp van valse leraren en dergelijke.

In het twintigste hoofdstuk van het evangelie van Johannes, lezen we het gedeelte waar de opgestane Christus verschijnt aan Zijn discipelen. We zien dat de Heer hen begroet door te zeggen: “Ik wens jullie vrede”, en na deze woorden blies Hij over hen heen en zei: “Ontvang de Heilige Geest” (Johannes 20:19-22). En in zijn brief aan de Galaten maakt de apostel Paulus duidelijk dat vrede een van de vruchten van de Heilige Geest is. “Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geduld vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing” (Galaten 5:22-23).

De mens verloor zijn vrede toen hij door het gebod te overtreden vijandig werd tegenover de Schepper. Uit de opstandigheid en de zonde ontstond een enorme afgrond die de mens de vrede ontnam. De vrede was het resultaat van een directe verbinding tussen mens en God. Door die band te verbreken, ontnam de mens zichzelf al het goede dat alleen God kan geven. “Luisterde je maar naar mijn geboden, dan zou jouw vrede zijn als een rivier”, zegt de Heer in de profetie van Jesaja (48:18).

Alleen in God kan de mens het ware geluk en vrede vinden, want zo zijn wij geschapen. Dat is onze essentie. En door te zondigen en ons niet te bekeren, verzetten we ons voortdurend tegen Gods heilige wil. In plaats van te vechten tegen de zonde, vechten we tegen de geboden van de Heer. In plaats van Christus de betekenis en het hoofddoel van ons leven te maken, kiezen we dwaas het pad van de zonde en vragen we ons dan af waarom we geen vrede vinden in onze families, in onze zielen, binnen de vrienden- en familiekringen.

In ieder deel van ons leven, dag en nacht, tijdens vreugde en verdriet, moeten we onze band sterk houden met de Schepper. We mogen de kostbare gelegenheid en tijd die ons wordt gegeven niet verliezen. We moeten ijverig zijn in ons geestelijk leven en de vruchten van de Heilige Geest zullen niet lang op zich laten wachten.

Deze hemelse vrede die door de Heilige Geest wordt gegeven, is een zalige staat van de ziel, een hemelse schat en een zegen van God. Dit is een van de belangrijkste en kostbaarste geschenken die de Heer heeft nagelaten en die rechtstreeks uit de hemelse bron wordt gevoed. Alleen de vrede van de Heer is duurzaam, oprecht, volledig en onberispelijk.

 

Evangelie: Marcus 14:1-26

Jezus met kostbare olie gebalsemd

141De volgende dag zou het feest van ​Pesach​ en het Ongedesemde brood beginnen. De hogepriesters en ​schriftgeleerden​ zochten naar een mogelijkheid om hem door middel van een list gevangen te nemen en te doden. 2Ze zeiden bij zichzelf: Tijdens het feest kan dat niet, want dan komt het volk in opstand.

3Toen hij in Betanië in het huis van Simon – degene die aan ​huidvraat​ had geleden – aanwezig was bij een feestmaal, kwam er een vrouw binnen. Ze had een ​albasten​ flesje bij zich dat gevuld was met zeer kostbare, zuivere ​nardusolie. Ze brak het flesje en goot de olie uit over zijn hoofd. 4Sommige aanwezigen zeiden geërgerd tegen elkaar: ‘Waar is deze verkwisting goed voor? 5Die olie had immers voor meer dan driehonderd ​denarie​ verkocht kunnen worden, en dat ​geld​ hadden we aan de armen kunnen geven.’ Ze voeren tegen haar uit. 6Maar ​Jezus​ zei: ‘Laat haar met rust, waarom vallen jullie haar lastig? Ze heeft iets goeds voor mij gedaan. 7Want de armen zijn altijd bij jullie, en jullie kunnen weldaden aan hen bewijzen wanneer je maar wilt, maar ik zal niet altijd bij jullie zijn. 8Wat ze kon, heeft ze gedaan: ze heeft mijn lichaam nu al met olie gebalsemd, met het oog op mijn ​begrafenis. 9Ik verzeker jullie: waar ook maar ter wereld het goede nieuws verkondigd wordt, zal ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.’

10Toen ging ​Judas​ Iskariot, een van de twaalf, naar de hogepriesters om hem aan hen uit te leveren. 11Toen zij dit hoorden, waren ze opgetogen en beloofden ze hem ​geld​ te zullen geven. En hij zon op een mogelijkheid om hem op een geschikt moment uit te leveren.

 

Het pesachmaal

12Op de eerste dag van het ​feest van het Ongedesemde brood, wanneer het pesachlam wordt geslacht, zeiden zijn ​leerlingen​ tegen hem: ‘Waar wilt u dat wij voorbereidingen gaan treffen zodat u het pesachmaal kunt eten?’ 13Hij stuurde twee van zijn ​leerlingen​ op pad en zei tegen hen: ‘Ga naar de stad. Daar zal een man die een kruik water draagt jullie tegemoet komen; volg hem, 14en wanneer hij ergens binnengaat, moeten jullie tegen de ​heer​ des huizes zeggen: “De meester vraagt: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn ​leerlingen​ het pesachmaal kan eten?’” 15Hij zal jullie een grote bovenzaal wijzen, die al is ingericht en waar alles gereedstaat; maak daar het pesachmaal voor ons klaar.’ 16De ​leerlingen​ vertrokken naar de stad, en alles gebeurde zoals hij gezegd had, en ze bereidden het pesachmaal.

17Toen de avond was gevallen, kwam hij met de twaalf. 18Terwijl ze ​aanlagen​ voor de maaltijd, zei ​Jezus: ‘Ik verzeker jullie: een van jullie, die met mij eet, zal mij uitleveren.’ 19Ze werden bedroefd en vroegen een voor een aan hem: ‘Ik ben het toch niet?’ 20Maar hij zei tegen hen: ‘Het is een van jullie twaalf, die met mij uit dezelfde kom eet. 21Want de ​Mensenzoon​ zal heengaan zoals over hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de ​Mensenzoon​ uitgeleverd wordt: het zou beter voor hem zijn als hij nooit geboren was.’

22Terwijl ze aten, nam hij een brood, sprak het zegengebed uit, ​brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Neem hiervan, dit is mijn lichaam.’ 23En hij nam een ​beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de ​beker, en allen dronken eruit. 24Hij zei tegen hen: ‘Dit is mijn bloed, het bloed van het ​verbond, dat voor velen vergoten wordt. 25Ik verzeker jullie: ik zal niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken tot de dag komt dat ik er opnieuw van zal drinken in het ​koninkrijk van God.’ 26Nadat ze de lofzang hadden gezongen, vertrokken ze naar de ​Olijfberg.