1 november 2020

“Want iedereen die de Wil van God doet, die is Mijn broer en zuster en moeder.” – Markus 3:35.

Het heilige Evangelie van vandaag vertelt ons over een situatie waar de moeder en broeders van Christus Hem komen bezoeken. De Heer Jezus was omringd door veel mensen en zij konden Hem niet bereiken. En iemand uit deze mensen herkent de familieleden van Christus en zegt tegen Hem: “Uw moeder en Uw broers staan buiten en zoeken U.” (Markus 3:33). Jezus antwoordt: “Ieder die de Wil van Mijn Vader in de hemel doet, is Mijn broer en zuster en moeder.” (Mattheüs 12:50).

In de eerste eeuw, in de Joodse cultuur, was familie het allerbelangrijkste en was toewijding aan  bloedverwanten boven alles. Jezus’ woorden, dat Zijn moeder en broers en zusters diegenen zijn die Gods Wil vervullen, en dus niet alleen bloedverwanten zijn, waren moeilijk te accepteren.

Heden ten dage concluderen velen op basis van deze versen dat Jezus hier onze bloedverwante familiegedachte tegenspreekt maar Christus hervormd de gedachte van het gezin en verbreedt de grenzen van een gezin. Met andere woorden zegt Jezus dat we een bloedverwante familie hebben waar we onze verantwoordelijkheden toe hebben. Maar daarnaast kunnen we een familielid zijn van Hem en hebben we ook onze verantwoordelijkheid naar die familie. En die verantwoordelijkheid is, zoals het evangelie duidelijk stelt, luisteren en doen van Gods Wil.

Welke wegen hebben wij vandaag om familieleden van God te worden? 

De weg om familie van Christus te worden, om Zijn broer of zuster of moeder te worden, als individu of als volk is onze heilige Armeens Apostolische kerk. De heilige Kerk heeft onze tradities behouden en overgedragen en leidt ons tot de verlossing. De Armeens Apostolische kerk draagt niet alleen zorg voor de verlossing van elke Armeniër maar droeg en draagt nog steeds zorg om het Armeense volk te redden. Welke weg hebben we als individu en als gezamenlijke volk om familie te worden met Christus?  De meest veilige  weg is door ons vast te houden aan de tradities die onze voorouders ons hebben overgedragen. Onze voorouders hebben met hun zweet en bloed de heilige Traditie gevormd en overgedragen aan ons en deze Traditie heeft ons Armeens en christelijk behouden.

Door heilige Mesrop vardapet hebben we het Armeense schrift. Hierna is in Armenië het christendom gebloeid en heeft het een Armeens gezicht gekregen. Sindsdien is de Armeniër, het Christendom en de Armeens Apostolische kerk onlosmakelijk verenigd met elkaar. Het verleden is nog niet voorbij. De geschiedenis is geschiedenis door het vervolg. Geschiedenis is belangrijk door haar rijke lessen en zonder die lessen in acht te nemen kunnen we geen goede beslissingen nemen.

De traditie is een tak van de geschiedenis en is net als de geschiedenis doorlopend en rijk aan ervaring. Op basis van deze rijke traditie moeten wij onze heden vormen, zodat we onze eervolle toekomst kunnen verzekeren. Het verleden is niet voorbij en het is de traditie van onze voorouders die ons hebben gebracht waar wij nu zijn. We moeten onthouden dat de traditie heilig is en door deze traditie zuiver te houden en generatie op generatie over te dragen kunnen we onze familialiteit met de Heer Jezus Christus behouden. De weg om familie met Christus te worden en te blijven als individu en als volk is de Heilige Stoel van Etsjmiadzin.

Ons heilige land rekte zich uit tot de Mensenzoon, zodat Hij met Zijn neerdalen (Etsjmiadzin) een weg naar boven verzorgde. De voorspraak van de eerste verlichter heilige Apostelen Taddheüs en Bartolomeüs, en de leiding van heilige Grigor de Verlichter hebben ons nooit verlaten. Zo hebben wij als Armeens volk de familialiteit met Christus geërfd.

Laten we herbevestigen dat we familie met Christus zijn. Laten we beloven dat we toegewijde dienaren van onze Moederkerk zullen blijven. Laten we onze verbintenis met onze onafscheidelijke traditie vernieuwen. Laten we beloven trouw te blijven aan de Moederzetel van Etsjmiadzin en deze te versterken. Zo zullen we moeder en broer en zuster van de Heer Jezus Christus zijn. Zo zullen we Gods Wil vervullen en voor ons is de belofte zeer duidelijk: “Want iedereen die de Wil van God doet, die is Mijn broer en zuster en moeder.” Markus 3:35.

 

Evangelie: Lucas 8:17-21

17Want niets dat verborgen is blijft geheim; alles wat verborgen is zal bekend worden en aan het licht komen. 18Let dus goed op hoe jullie luisteren: want wie iets heeft zal nog meer krijgen; maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij denkt te hebben worden ontnomen.’

19Zijn moeder en zijn broers kwamen naar hem toe, maar ze konden niet bij hem komen vanwege de menigte. 20Zijn toehoorders zeiden tegen hem: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten, ze willen u spreken.’ 21Maar hij antwoordde: ‘Mijn moeder en mijn broers zijn degenen die naar het woord van God luisteren en ernaar handelen.’

 

 

8 november 2020

“En dank altijd voor alle dingen God en de Vader in de Naam van onze Heere Jezus Christus.” – Efeziërs 5:20

Een van de wijzen zegt dat als de sterren maar één keer per jaar zouden verschijnen, iedereen de hele nacht wakker zou blijven om hun schoonheid te bewonderen. Om eerlijk te zijn, we zien de sterren zo vaak dat ze alledaags zijn geworden.

Zo zijn vele, zegeningen in ons leven gewoon geworden. Als we echter even de tijd nemen om ons leven te onderzoeken, hebben we zoveel gaven en zegeningen in ons leven waarvoor we God uit de grond van ons hart moeten danken en zeggen: “Bedankt.” 

In de Psalmen van David lezen we: “Prijs de Heer, mijn ziel; vergeet niet al de gaven van Hem die verzoening voor uw zonden heeft, maar geneest al uw ziekten” (Psalm 102: 2-3). De Heer is onze hoop en vertrouwen, Diegene die onze zonden vergeeft, Diegene die de ziekten van onze ziel en ons lichaam geneest. Met dit besef moeten we de welwillende God met heel onze ziel zegenen, prijzen en verheerlijken, voor alle gaven, barmhartigheid en genaden. Zoals de apostel gebiedt: “En dank altijd voor alle dingen God” (Efeziërs 5:20).

Velen van ons zijn er echter aan gewend geraakt om te mopperen en te klagen wanneer we in ons dagelijks leven moeilijkheden of obstakels tegenkomen. Het is belangrijk om te beseffen dat klagen een zonde is. Deze “zonde” wordt ook opgesomd in de gezamenlijke biecht tijdens de Liturgie: “Door te klagen roddelen en vloeden heb ik gezondigd tegen God.” Door te klagen komen we in opstand tegen God.

Laten we ons het aardse leven van onze Heer Jezus Christus herinneren, waarmee de Zoon van God een voorbeeld voor ons heeft gesteld. Toen Hij door de goddelozen werd veroordeeld tot een onrechtvaardige dood ter wille van de redding van de zondige mensheid, werd hij bespot, geslagen, vervloekt, aan het kruis genageld. Hij die geen onrecht heeft gedaan en geen bedrog in Zijn mond is geweest, was geduldig en klaagde niet. (Jesaja 53:9).

Ook de heilige Apostelen en martelaren doorstonden ter wille van hun geloof, liefde voor God, gehoorzaamheid, liefde en moed, al het lijden en de kwade beproevingen die de vijand hen aandeed. Ze klaagden niet alleen niet, maar ze dankten God voortdurend voor het martelaarschap voor Zijn heilige Naam. Zij konden hun geloof niet ontkennen, want ze wisten dat hun lijden in dit leven vervolgd zou worden door eeuwige rust in het hiernamaalse. En wij, die alle problemen verdienen omdat we schuldig zijn, willen niet een beetje lijden, we worden depressief door enkele dagelijkse problemen en verheffen onze stem van ontevredenheid met God.

Laten we proberen op te merken en te waarderen wat we hebben, wat God ons heeft gegeven, en de Almachtige te danken voor Zijn onbeschrijfelijk geschenk (zie 2 Korintiërs 9:15). Laten we God elk uur van ganser harte danken voor alles. Als we om ons heen kijken zien we deze wonderlijke wereld die God voor ons heeft geschapen. Als we kijken naar de onbeschrijflijke schepping van God met ogen van geloof, zien we in elk blaadje, in elke bloem God, voelen we Gods adem en zullen we de Schepper van het universum verheerlijken. “Voor dit alles moeten we altijd tevreden zijn met Gods scheppende zorg, die ons zulke gezegende, onzichtbare en zichtbare goedheden waardig maakt. En laten we dag en nacht zegenen met onvermoeibare liefde, oprechte wil en pure zuiverheid.” – Heilige Grigor de Verlichter.

“Als er iets goed met je gebeurt, prijs dan God en het goede zal bij je blijven. Gebeurt er is slechts met je, prijs dan God en het slechte zal je verlaten.” – Heilige Johannes Chrysostomus. Laten we in dit vluchtige leven verdrukkingen en moeilijkheden doorstaan, zodat we in het komende eeuwige leven de beloningn van ons geduld mogen ontvang, dat zal zijn naar verdienste en moeite. “Als we gehecht zijn aan het lijden, zullen we deelhebben aan de heerlijkheid” (Romeinen 8:17), want we lijden in dit leven voor het Koninkrijk van God.

 

Evangelie: Lucas 8:49-56

49Nog voor hij uitgesproken was, kwam er iemand uit het huis van Jaïrus tegen de leider van de synagoge zeggen: ‘Uw dochter is gestorven. Val de meester niet langer lastig.’ 50Maar Jezus hoorde het en zei: ‘Wees niet bang, maar geloof, dan zal ze worden gered.’ 51Toen hij bij het huis kwam, stond hij niemand toe om met hem naar binnen te gaan behalve Petrus, Johannes en Jakobus, en de vader en moeder van het meisje. 52Alle aanwezigen waren aan het weeklagen en sloegen zich van verdriet op de borst. Hij zei: ‘Houd op met klagen, want ze is niet gestorven maar slaapt.’ 53Ze lachten hem uit, omdat ze wisten dat ze gestorven was. 54Hij nam haar hand vast en zei met luide stem: ‘Meisje, sta op!’ 55Haar levensadem keerde terug en ze stond meteen op. Hij gaf opdracht haar iets te eten te geven. 56Haar ouders waren verbijsterd; hij gebood hun tegen niemand te zeggen wat er was gebeurd.

 

 

15 oktober 2020

“Wie dit kind in Mijn Naam bij zich opneemt, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij gezonden heeft. Want wie de kleinste onder jullie allen is, die is werkelijk groot” – Lucas 9:48.

Het evangelie van vandaag vertelt ons over een meningsverschil tussen de apostelen.

Als we de evangeliën lezen, zien we dat een van de apostelen, met zijn vurige temperament, moed en ijver, altijd opvalt tussen de anderen. Hij was de eerste die Hem Heer noemde voordat hij tot de Heer werd geroepen (Lucas 5: 8-11). Hij was een van de drie discipelen die waardig was het goddelijke licht van de transfiguratie op de berg Tabor te zien. (Matteüs 17: 1-2), en hij was ook een van de drie die getuige was van de wonderbaarlijke opstanding van de dochter van Jaïrus (Marcus 5: 37-42). Door zijn moed liep hij richting Christus op de stormachtige zee en hij was de eerste die getuigde dat Christus de Zoon van God is. Hierom noemde Christus hem de ‘rots van de kerk’ en vertrouwde hem de sleutels van het Koninkrijk der Hemelen toe. (Mattheüs 16:15-19). Het gaat uiteraard over de apostel Petrus.

Het antwoord dat de Heer Jezus aan de discipelen geeft, zonder dat hij de oorzaak beschouwt, is zeer belangrijk. Ja, apostel Petrus was meer uitgesproken in het volgen van de Heer dan de anderen maar apostel Johannes was de lieveling van de Heer. Apostel Johannes was uiteindelijk diegene die niet bang was om Hem te volgen tot de hoogten van Golgotha (Johannes 19:26). En apostel Andreas was de eerste de Heer volgde (Johannes 1:40). Apostel Bartholomeus was de enige waarvan de Heer zei: “een echte Israëliet, een mens zonder bedrog” (Johannes 1:47). Maar Christus zonderde geen van hen allen uit en wees niemand aan als de grootste.

Veel personages uit de geschiedenis staan bekend met de bijnamen ‘de grote’ of ‘de eerste.’ De wereld heeft altijd haar eigen maat gehad om ‘grote’ mensen voor te schotelen aan de mensheid. De mensen hebben, bewust of onbewust, altijd idealen gevormd die lijken op deze ‘grote’ mensen en proberen op hen te lijken. Dit zijn meestal bekende mensen, politici, leiders, vertegenwoordigers uit de cultuur- of sportwereld en dergelijke. De zogenoemde sterren ofwel mensen die wereldse lof, rijkdom, macht en autoriteit hebben in hun omgeving. Uiteraard waren er ook zulke mensen in de tijden dat de Heer Jezus Christus op aarde leefde. Echter de Heer achtte geen van de voordelen, die zij hadden, geschikt om te benoemen voor het binnengaan van het Koninkrijk der Hemelen. Maar, zoals de evangelisten schrijven: “Jezus riep een kind bij Zich, zette het in hun midden neer en zei: ‘Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind dan zul je het Koninkrijk van de Hemel zeker niet binnengaan. Wie zichzelf vernedert en wordt als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk van de Hemel. En wie in Mijn Naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt Mij op.” (Mattheüs 18:2-5, Markus 9:36-37, 9:47-48).

De woorden van Christus brengen de luisteraar in eerste instantie in verwarring en scheppen verbazing, want we zijn het niet gewend dat kinderen een voorbeeld voor volwassenen vormen. Dit geeft stof tot nadenken. Waarom juist als kinderen? Het antwoord op deze vraag volgt uit Christus’ woorden. Hij zegt ‘als je niet verandert en wordt als een kind.’ Ofwel als je niet wordt, zoals je eerst was, want ieder mens worden geboren met een zuiver hart en een zuivere ziel. De harten en zielen van kinderen zijn allemaal even goddelijk. We kunnen met overtuiging zeggen dan in deze eerlijke, zonder kwaad, zonder jaloezie, nederige, zonder enige zonde, onvoorwaardelijk gelovende en liefhebbende zielen Gods Koninkrijk heerst. Alle mensen worden geboren met al deze deugden, waar ze later zo naar streven en waarvoor we God smeken tijdens onze gebeden. Jezus Christus gebiedt ons om terug te keren naar diezelfde zuiverhuid, nederigheid, eerlijkheid en goedheid, die we vanaf het begin hebben gehad maar zijn verloren door ons over te geven aan de macht van de zonde. En om al deze prachtige eigenschappen te onthouden, stelt Hij voor dat wij onze geestelijke gesteldheid voortdurend controleren door ons te vergelijken met deze kinderen.

Kinderen beseffen hun deugdelijkheden, en daarmee hun grootheid niet, omdat dit hun natuurlijke geestelijke toestand is, en worden niet trots hierdoor. Zo dienen ook wij onze deugden te behandelen. We moeten wennen aan onze deugden, zodat ze onze natuurlijke toestand worden. Zo zullen we deze deugden niet merken en ook geen ruimte geven aan onszelf om hier trots op te worden of onszelf groot te achten.

 

Evangelie: Lucas 9:44-50

44‘Onthoud wat ik tegen jullie zeg: de Mensenzoon zal aan de mensen uitgeleverd worden.’ 45Maar ze begrepen deze uitspraak niet; de betekenis bleef voor hen verborgen, en ze durfden hem niet naar de zin van die uitspraak te vragen.

46Ze begonnen onderling te redetwisten over wie van hen de belangrijkste was. 47Jezus merkte wat hen bezighield en hij nam een kind bij zich, dat hij naast zich neerzette. 48Hij zei tegen hen: ‘Wie dit kind in mijn naam bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt hem op die mij gezonden heeft. Want wie de kleinste onder jullie allen is, die is werkelijk groot.’ 49Daarop zei Johannes: ‘Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten, omdat hij u niet samen met ons volgt.’ 50Jezus zei tegen hem: ‘Verhinder het niet! Want wie niet tegen jullie is, is voor jullie.’

 

 

22 oktober 2020

“Dwaas, nog deze nacht zal je leven van je worden teruggevorderd. Voor wie zijn dan de schatten die je hebt opgeslagen?” – Lucas 12:20

De mens is een geestelijke en lichamelijke schepsel, dat het beeld en de gelijkenis van God draagt, door goddelijke leiding geroepen is tot redding, tot eeuwig leven. Ons door God gegeven leven is niet afhankelijk van rijkdom en van materiaal, maar van God.

De evangelielezing van vandaag is de gelijkenis van de dwaze rijke man.

“Het landgoed van een rijke man had veel opgebracht, en daarom vroeg hij zich af: Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om mijn voorraden op te slaan. Toen zei hij bij zichzelf: Wat ik zal doen is dit: ik breek mijn schuren af en bouw grotere, waar ik al mijn granen en goederen kan opslaan, en dan zal ik tegen mezelf zeggen: Je hebt veel goederen in voorraad, genoeg voor vele jaren! Neem rust, eet, drink en vermaak je. Maar God zei tegen hem: “Dwaas, nog deze nacht zal je leven van je worden teruggevorderd. Voor wie zijn dan de schatten die je hebt opgeslagen?” zo vergaat het iemand die schatten verzamelt voor zichzelf, maar niet rijk is bij God” (Lucas 12: 16-21).

Door deze gelijkenis waarschuwt de Heer ons voor het hebben van hebzucht, dat wil zeggen het verlangen om bezittingen te verwerven om te genieten van de goederen van deze wereld. Het leven van de mens, zijn welzijn of geluk hangen niet af van de hoeveelheid van zijn rijkdom. Maar de dwaze rijke man, die niet aan het eeuwige leven denkt, houdt zich alleen bezig met hoe hij zijn rijkdom kan gebruiken om van het huidige leven te genieten.

Het evangelie herinnert is bij elke stap eraan dat de dood achter ons staat maar niet om ons daarmee bang te maken maar om het leven zin, doel en diepte te geven. We leven een heel oppervlakkig leven. De talloze dingen die wij belangrijkheid vinden in ons leven zijn te klein om het hart en de ziel tevreden te stellen. De nutteloze, doelloze, vruchteloze gedachten die we op één dag hebben, de hoeveelheid emoties die elkaar opvolgen laten geen diep spoor achter, maar zijn gewoon tevergeefs, als wolken die door de lucht trekken. En de dood is zo verrassend dichtbij…

Vooral omdat de dood nabij is, is het leven van onschatbare waarde. Niet in de zin dat we moeten vechten om niet te sterven, maar in de zin dat het nut van het leven alleen door de dood zo een diepe betekenis kan krijgen. Elk gesproken woord kan het laatste zijn. Moeten de laatste woorden leeg, onbeduidend of, erger nog, nerveus, bitter, slecht en destructief zijn? Elke handeling kan de laatste zijn. Waarom zou de laatste handeling van iemand niet de diepste en meest wonderbaarlijke uitdrukking zijn in menselijke relaties? We vergeten dit omdat het ons lijkt dat er zoveel tijd in het verschiet ligt dat we in staat zullen zijn fouten te corrigeren, de wonden van de ziel te genezen, de mens te troosten. Maar het kan te laat zijn. Een van ons kan sterven. Het zal te laat zijn om te troosten, te strelen en te juichen. Het zal te laat zijn om voor de laatste keer iemand gelukkig te maken op deze aarde.

De dood wordt door het Evangelie, door Christus, in ons leven voor ogen gezet, niet om ons bang te maken, maar om diep te leven, in overeenstemming met de diepten van ons gevoelige mensenhart, de grote, diepe geest. Laten we daarom in de schatkamer van ons hart en onze geest niets opstapelen dat ons kleinhartig maakt. In plaats van aardse schatten te vergaren, moeten we met God worden verrijkt en ons bezighouden met het vergaren van hemelse, onsterfelijke rijkdommen. Het vergaren van deugden en dat kunnen we bereiken door middel van aardse rijkdommen te gebruiken voor alle goede werken.

 

Evangelie: Lucas 12:13-31

13Iemand uit de menigte zei tegen hem: ‘Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen!’ 14Maar Jezus antwoordde: ‘Wie heeft mij als rechter of bemiddelaar over jullie aangesteld?’ 15Hij zei tegen hen: ‘Pas op, hoed je voor iedere vorm van hebzucht, want iemands leven hangt niet af van zijn bezittingen, zelfs niet wanneer hij die in overvloed heeft.’ 16En hij vertelde hun de volgende gelijkenis: ‘Het landgoed van een rijke man had veel opgebracht, 17en daarom vroeg hij zich af: Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om mijn voorraden op te slaan. 18Toen zei hij bij zichzelf: Wat ik zal doen is dit: ik breek mijn schuren af en bouw grotere, waar ik al mijn graan en goederen kan opslaan, 19en dan zal ik tegen mezelf zeggen: Je hebt veel goederen in voorraad, genoeg voor vele jaren! Neem rust, eet, drink en vermaak je. 20Maar God zei tegen hem: “Dwaas, nog deze nacht zal je leven van je worden teruggevorderd. Voor wie zijn dan de schatten die je hebt opgeslagen?” 21Zo vergaat het iemand die schatten verzamelt voor zichzelf, maar niet rijk is bij God.’

22Hij zei tegen zijn leerlingen: ‘Om deze reden zeg ik tegen jullie: maak je geen zorgen over jezelf en over wat je zult eten, noch over je lichaam en over wat je zult aantrekken. 23Want het leven is meer dan voedsel en het lichaam meer dan kleding. 24Kijk naar de raven: ze zaaien niet en oogsten niet, ze hebben geen voorraadkamer en geen schuur, het is God die ze voedt. Hoeveel meer zijn jullie niet waard dan de vogels! 25Wie van jullie kan door zich zorgen te maken één el aan zijn levensduur toevoegen? 26Als jullie dus zelfs het geringste al niet kunnen, waarom maken jullie je dan zorgen over de rest? 27Kijk naar de lelies, kijk hoe ze groeien. Ze werken niet en weven niet. Ik zeg jullie: zelfs Salomo ging in al zijn luister niet gekleed als een van hen. 28Als God het groen dat vandaag nog op het veld staat en morgen in de oven gegooid wordt al met zo veel zorg kleedt, met hoeveel meer zorg zal hij jullie dan niet kleden, kleingelovigen? 29Ook jullie moeten niet nadenken over wat je zult eten en wat je zult drinken, en jullie moeten je niet door zorgen laten kwellen. 30De volken van deze wereld jagen die dingen na, maar jullie Vader weet dat je ze nodig hebt. 31Zoek liever zijn koninkrijk, en die andere dingen zullen je erbij gegeven worden.

 

 

29 oktober 2020

“Dit is Gods wil dat je heilig bent ․․․” – 1 Tessalonicenzen 4: 3

In zijn eerste brief aan de Tessalonicenzen sprak de apostel Paulus over een buitengewoon gevaarlijke hartstocht die vandaag de dag overheerst in de wereld. Het gaat over de hartstocht van ontucht. In de brief van de apostel lezen we: “Het is de Wil van God dat u een heilig leven leidt: dat u zich onthoudt van ontucht, dat ieder van u zijn lichaam heiligt en in eerbaarheid weet te beheersen en dat u niet zoals de ongelovigen, die God niet kennen, toegeeft aan uw hartstocht en begeerte. Schaad of bedrieg uw broeder of zuster in dit opzicht niet, want de Heer vergeldt dit alles, zoals wij u vroeger al nadrukkelijk hebben voorgehouden. God heeft ons niet geroepen tot zedeloosheid, maar tot een heilig leven. Dus wie deze voorschriften verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, die u Zijn Heilige Geest geeft.” (1 Tessalonicenzen 4:3-8).

Deze woorden van de heilige Apostel zijn een zware en ontnuchterende klap voor al diegenen die, om verschillende redenen, hun zonde proberen te rechtvaardigen en het vernietigende pad van zelfbedrog inslaan.

Thessaloniki was in die tijd ook een grote en levendige havenstad, met een rijk en uitbundig commercieel leven dat veel van de onderdanen van het Romeinse rijk tot haar omhelzing trok. De polytheïstische Grieken, die zelfs niet-goden aanbaden in de belichaming van geweld, de personificatie van liefde en verlangen, leidden van nature een heidens leven, en hun verschillende zonden en hartstochten werden beschouwd als een natuurlijk en onafscheidelijk onderdeel van hun dagelijks leven. De pas bekeerde christelijke gemeenschap, die net was gevormd na de prediking van de Apostel, was zeker nog niet vrij van de schadelijke gewoonten waarmee ze jarenlang had geleefd. De heilige Apostel vond het echter noodzakelijk hen vooral te waarschuwen voor de zonde van ontucht, hij deed dat met een nogal harde en invloedrijke woorden. Waarom? Omdat dit een van de verraderlijke en vooral gevaarlijke zonden is die zich aan de mens presenteert in een zeer verleidelijke en onschadelijke vorm, waarbij de sluier zijn verraderlijke, slechte en destructieve werkelijke essentie achterlaat.

In de wereld van de ontucht, wanneer de zogenaamde “vrije liefde” oproepen, advertenties en uitnodigingen als een wervelwind op iemands hoofd vallen, wordt de ziel zonder wapen gemakkelijk uitvoerder van deze hartstocht. De mens legt zijn geweten tot zwijgen en verliest zijn schaamte, vergeet de morele wetten en zijn eer; : Zal God wonen of handelen in een dier geleid door vleselijk verlangen? Nooit!

Als het gaat om zonden zoals diefstal of moord, waarvan de schade en het verlies overduidelijk zijn, die door mensen worden “veroordeeld”, dan is iedereen het er unaniem over eens dat het in feite zonden zijn, dat ze mensen schade berokkenen, dat ze ondubbelzinnig worden gestraft, dat zijn ze waardig. En in het geval van prostitutie, zoekt het menselijke denken manieren om de schade die het veroorzaakt te verbergen, om het alleen in een positief daglicht te stellen.

De zonde van ontucht omvat diefstal van andermans tijd, dromen en lichaam. Het omvat doden van je eigen ziel en miljoenen ongeboren kinderen. Het omvat leugen en misleidingen die geen uitleg behoeven. Het omvat trots en jaloezie, wanneer je niet tevreden bent met wat je hebt en denkt dat je het waardig bent om plezierige dingen te doen en andere zondes te begaan.

En nog belangrijker: door het plegen van ontucht, verraadt de mens niet alleen zijn eigen goddelijke ziel, niet alleen zijn naaste, maar ook God. Met die ene stap werpt hij zichzelf weg van het Zuivere Licht naar het rijk van de macht van het kwaad, waar het niet de zuivere ziel en de geest verlicht door het goddelijke licht zijn die hem leiden, maar het vleselijke verlangen.

De heilige Kerkvaders van de Kerk leren: “Verlangen is als een hond; als je hem streelt, zal hij je niet verlaten, en als je hem wegjaagt, zal hij wegrennen” (heilige Efrem de Syriër) ․ “Als de schoonheid van het lichaam je hart verleidt, denk dan eens aan de stank die het zal verspreiden, dan zul je kalmeren” (Zalige Heronimus) ․ “Als er een vuur van zondig verlangen in je is, leg het dan voor het vuur in de hel en het vuur in je zal doven” (heilige Johannes Chrysostomus)․ “Als de geest van overspel u op het werk stoort, wees dan niet lui om je handen tot gebed te brengen. Het gebed met geloof zal het afstoten” (heilige Efrem de Syriër). Laten we de leer van de heilige vaders volgen, altijd en overal de heilige Wil van de Heer zoeken en deze accepteren als een leidraad voor de weg naar verlossing.

 

Evangelie: Lucas 13:1-9

1Er waren op dat moment ook enkele mensen aanwezig die hem vertelden over de Galileeërs van wie Pilatus het bloed vermengd had met hun offers. 2Hij zei tegen hen: ‘Denken jullie dat die Galileeërs grotere zondaars waren dan alle andere Galileeërs, omdat ze dat ondergaan hebben? 3Zeker niet, zeg ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal op dezelfde wijze omkomen. 4Of die achttien die stierven doordat de Siloamtoren op hen viel – denken jullie dat zij schuldiger waren dan alle andere mensen die in Jeruzalem wonen? 5Zeker niet, zeg ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal net zo sterven als zij.’

6Hij vertelde hun deze gelijkenis: ‘Iemand had een vijgenboom in zijn wijngaard geplant en ging kijken of de boom vrucht droeg, maar hij vond geen vijgen. 7Hij zei tegen de wijngaardenier: “Al drie jaar kom ik kijken of die vijgenboom vrucht draagt, maar tevergeefs. Hak hem maar om, want hij dient tot niets en put alleen de grond uit.” 8Maar de wijngaardenier zei: “Heer, laat hem ook dit jaar nog met rust, tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven, 9misschien zal hij dan het komende jaar vrucht dragen, en zo niet, dan kunt u hem alsnog omhakken.”’