4 februari 2018

“Dit draag ik jullie op: heb elkaar lief.” – Johannes 15:17

Geschriften van de dag: Joh. 7:37-52, Titus 1:1-11. Jes. 63:18-64:12

De gedachte van de liefde staat centraal in de leer van het Christendom. De deugdelijkheid van de liefde is fundamenteel in het Christelijke moraal. Liefde is een gevoel richting God en richting mens. God is liefde en Zijn liefde uit zich in de creatie van het universum en Zijn voorzienigheid. Als wij God liefhebben, hebben we onze naasten lief, omdat God ons liefheeft en wij het resultaat zijn, van die liefde, op aarde. De mens is geen resultaat van een toeval of een fout maar het resultaat van de onuitputtelijke liefde van de Hemelse Schepper. Deze goddelijke liefde schijnt in ons, wat onze liefde vormt. Dus wij bevatten liefde als een door God geïnspireerd gevoel, de gave is om gelijke kinderen van de Vader te zijn en onze ouder-kind band creëert met God, en een broederlijke band met onze naasten.

Liefde voor God. Vanuit religieus opzicht is de mens niet alleen verantwoordelijk om over God te denken, ook niet om alleen Gods werk te bestuderen maar om God lief te hebben met de liefde waardoor een persoonlijke, levende en werkelijke band ontstaat tussen mens en God. Zoveel liefde, dat het leven van de mens zonder God zinloos en onmogelijk zou zijn. Dit soort liefde verwacht de Heer Jezus Christus wanneer Hij zegt: “5Heb daarom de HEER, uw God, lief met hart en ziel en met inzet van al uw krachten.” (Deuteronomium 6:5). Niet met bepaalde voorwaarden, niet op bepaalde momenten en niet met bepaalde delen.

Liefde voor onze naasten. De tweede persoon voor de liefde is onze naaste, ofwel onze gelijke, de ander, “19heb uw naaste lief als uzelf.” (Matteüs 19:19).

De mens, in het algemeen, hecht het meeste waarde aan zichzelf. Rekening houdend met de kracht van dit gevoel voegt Christus het volgende toe aan zijn boodschap: “als uzelf.” Dus volgens de christelijke leer moet de liefde voor de mens’ naasten niet minder zijn dan de liefde voor zichzelf. :

Het vereffenen van ons met een ander, of een ander vereffenen met onszelf. Hoe moeilijk dit is, even belangrijk en essentieel is dit voor een Christen, want hoe kun je God liefhebben, maar Zijn schepselen niet? Hoe kun je die liefde voor God bewijzen, toepassen en uiten als je niet je naaste kan liefhebben?

Liefde voor de vijand. In het geval van onze naasten kan zit er geen verschil tussen verschillende vrienden, ofwel er is geen onderscheid. Met deze gedachtegang moeten we de volgende woorden van onze Heer Jezus Christus begrijpen: “44En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, 45alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.”

Dit is één van de hoogste beginselen van het Christendom maar ook één van de meest verlokkende. Hoe moet je de vijand liefhebben wanneer de vijand haat uitdrukt. De vijand liefhebben betekent niet de vijand waarderen of eren maar betekent om de vijand niet te geloven. Als vijandigheid iets slechts is, als vijandigheid haat betekent dan betekent het vijandig zijn tegenover de vijand dat je jezelf gelijk maakt aan de vijand. Het liefhebben van je vijand betekent in staat zijn om de vijand te vergeven. Om eerst zijn vijandigheid en schade te verwaarlozen en vervolgens met het goede zijn kwaadaardigheid te bewijzen en middels deze weg diegene ook tot een aardse kind van de Hemelse Vader te bekeren.

Evangelie: Johannes 15:17-21

17Dit draag ik jullie op: heb elkaar lief.

De haat van de wereld

18Wanneer de wereld je haat, bedenk dan dat ze mij eerder haatte dan jullie.19Als jullie bij de wereld zouden horen, zou ze jullie hebben liefgehad als iets van haarzelf, maar jullie horen niet bij haar, want ik heb jullie uit de wereld weggeroepen. Daarom haat ze jullie. 20Denk aan wat ik gezegd heb: een ​slaaf​ is niet meer dan zijn meester. Ze hebben mij vervolgd, dus zullen ze ook jullie vervolgen; maar wie zich aan mijn woorden gehouden heeft, zal zich ook aan jullie woorden houden. 21Dit alles zullen ze jullie vanwege mij aandoen, want ze kennen hem niet die mij gezonden heeft.

 

11 februari 2018

“want het koninkrijk van God is geen zaak van eten en drinken, maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest.” – Romeinen 14:17

Geschriften van de dag: Matt. 6:1-7:27, Rom. 13:11-14:26, Jes. 58:1-14

Carnaval is de eerste van de zeven zondagen van het Grote Vasten. Deze dag herinnert ons aan de eerste zaligheid van de mens. Deze dag is gewijd aan de herinnering van het paradijs, waarin Adam en Eva onschuldig en zalig leefden tot ze eruit werden gezet. De eerste mens kreeg in het paradijs een gebod van de Heer. “Hij hield hem het volgende voor: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, 17maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’” (Genesis 2:16-17). Van iedere boom mogen eten symboliseert het zalige leven, en van één boom niet eten, dat in het midden van het paradijs staat, symboliseert het vasten.

Het hemelse leven was voor Adam en Eva zalig, het goede leven, met de aanwezigheid van God. Er was niets wat de mens treurde. Integendeel ze leefden in de onuitputtelijke, eeuwige vreugde van de hemel aangezien ze de persoonlijke aanwezigheid van God genoten. Maar door te zondigen verloor de mens dat zalige leven dat ze in het paradijs genoot en begon te leven in het fysieke leven.

Carnaval herinnert de mens aan zijn zalige staat. Het Grote Vasten laat de mens denken hoe die dit is kwijtgeraakt en wijst erop, door middel van wat en via welke weg die kan terugkeren.

Wanneer wij een spiritueel leven willen leiden hebben wij meer tijd en energie nodig om te investeren in geestelijke daden maar ons alledaags leven staat dit niet toe.

Aangezien de mens’ lichaam en geest onafscheidelijk is tot de dood, heeft alles wat effect heeft op het lichaam ook effect op de geest, en andersom. Tijdens de speciale dagen, waarin we ons voedsel verminderen en ons

geestelijke werkzaamheid aanwakkeren, heeft onze geestelijke gesteldheid ook effect op onze lichamelijke gezondheid. Door ons meer te concentreren op onze geestelijke leven geven we ons lichaam de mogelijkheid om te rusten. Dus hoe moeilijk het vasten ook lijkt, het zegent het menselijk leven en mensen zien altijd de noodzaak hiervan.

Iemand die een geestelijk leven wil leiden voelt onmiddellijk de aantrekkingskracht van zijn lichaam en zijn oude leven. Op dat moment bedenkt diegene zich dat het toch niet makkelijk is om een geestelijk leven te leiden. Allereest moet die bepaalde persoonlijke complicaties oplossen, zich verlossen van vele gewoontes en zich krachtiger toewijden aan God. Wanneer die bereidt is dit allemaal te doen, zal die inzien dat in zich bepaalde delen zijn die tegenstrijden met deze bereidwilligheid. De zonde zal altijd aantrekkelijk lijken maar zal altijd zwak zijn. Om dit te overwinnen is het nodig om de geestelijke wil te versterken en om de geestelijke wil te versterken is geruime tijd en discipline vereist. Geestelijke discipline en lange tijd veroorzaken verandering in ons leven. Deze verandering is een verandering in onze gedachten en onze geest. Apostel Paulus zegt het volgende: “verander door uw gezindheid te vernieuwen” (Romeinen 12:2)

De bron van geestelijke verandering is allereest God zelf. Als de invloed van de heilige Geest niet bestaat in ons leven, dan wordt ons geestelijk leven niet vernieuwd en wordt het vasten omgevormd tot enkel een soort religieuze traditie. Een boom zonder weefselvocht is niets. Het weefselvocht moet werken, zodat de boom nieuwe takken en vruchten kan werpen. Dus de heilige Geest moet invloed uitoefenen. Ofwel de veranderingen kan diegene niet zelf aanbrengen, dat moet God doen, maar de mens moet alle belemmeringen

verwijderen. Dit lijkt op het werk van een boer van wie zijn velden wat nodig hebben en hij de kanalen moet ontdoen van verstoppingen, zodat het water de velden kan bereiken. Als de kanalen verstopt zijn, moet die het schoonmaken, zodat het water ongestoord kan stromen. Dit water zorg ervoor dat de bomen, tarwe en de oogst groeit. De boer doet zelf niets, enkel de weg vrijmaken, zodat het water de boom of de tarwe bereikt. Dus wij moeten in onszelf, de

ontstoppingen in ons lichaam en geest vrijmaken en vanuit daar zal Gods Geest doorschijnen, verandering brengen en Goddelijke vruchten werpen.

Geschrifte: Romeinen 13:11-14:23

11U kent de huidige tijd: het moment is gekomen waarop u uit de slaap moet ontwaken, want de redding is ons meer nabij dan toen we tot geloof kwamen.12De nacht loopt ten einde, de dag nadert al. Laten we ons daarom ontdoen van de praktijken van de duisternis en ons omgorden met de wapens van het licht.13Laten we daarom zo eerzaam leven als past bij de dag en ons onthouden van bras- en slemppartijen, ontucht en losbandigheid, tweespalt en jaloezie.14Omkleed u met de ​Heer​ ​Jezus​ ​Christus​ en geef niet toe aan uw eigen wil, die begeerten in u opwekt.

Aanvaard elkaar, zoals Christus u heeft aanvaard

141Aanvaard mensen met een zwak geloof zonder hun overtuiging te bestrijden.2De een gelooft dat hij alles mag eten, maar iemand die een zwak geloof heeft eet alleen groenten. 3Wie alles eet mag niet neerzien op iemand die dat niet doet, en wie niet alles eet mag geen oordeel vellen over iemand die dat wel doet, want God heeft hem aanvaard. 4Wie bent u dat u een oordeel velt over de dienaar van een ander? Of hij wel of niet volhardt in het geloof gaat alleen zijn eigen meester aan – en hij zal volharden, want de ​Heer​ heeft de macht hem dat te laten doen. 5De een beschouwt bepaalde dagen als een feestdag, voor de ander zijn alle dagen gelijk. Laat iedereen zijn eigen overtuiging volgen. 6Wie een feestdag viert, doet dat om de ​Heer​ te eren; wie alles eet, doet dat om de ​Heer​ te eren, en hij dankt God voor zijn voedsel. Wie iets niet wil eten, laat het staan om de ​Heer​ te eren, en ook hij dankt God. 7Niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand van ons sterft voor zichzelf. 8Zolang wij leven, leven we voor de ​Heer; en wanneer wij sterven, sterven we voor de ​Heer. Dus of we nu leven of sterven, we zijn altijd van de ​Heer. 9Want ​Christus​ is gestorven en weer tot leven gekomen om te heersen over de doden en de levenden. 10Wie bent u dat u een oordeel velt over uw broeder of zuster? Wie bent u dat u neerziet op uw broeder of zuster? Wij

zullen allen voor Gods rechterstoel komen te staan, 11want er staat geschreven: ‘Zo waar ik leef – zegt de ​Heer​ –, voor mij zal elke knie zich buigen, en elke tong zal God loven.’ 12Ieder van ons zal zich dus tegenover God moeten verantwoorden.

13Laten we elkaar daarom niet langer veroordelen, maar neem u voor, uw broeder en zuster geen aanstoot te geven en hen niet te ergeren. 14Omdat ik één ben met de ​Heer​ ​Jezus​ weet ik, en ben ik ervan overtuigd, dat niets op zichzelf ​onrein​ is, maar dat iets ​onrein​ is voor wie het als ​onrein​ beschouwt. 15Als u dus uw broeder of zuster kwetst door wat u eet, handelt u niet langer overeenkomstig de ​liefde. Laat hen voor wie ​Christus​ gestorven is niet verloren gaan door het voedsel dat u eet. 16Breng het goede dat God u schenkt geen schade toe, 17want het ​koninkrijk van God​ is geen zaak van eten en drinken, maar van ​gerechtigheid, ​vrede​ en vreugde door de ​heilige​ Geest. 18Wie ​Christus​ zo dient, doet wat God wil en wordt door de mensen gerespecteerd. 19Laten we daarom streven naar wat de ​vrede​ bevordert en naar wat opbouwend is voor elkaar. 20Breek het werk van God niet af omwille van wat u eet. Weliswaar is alle voedsel ​rein, maar het is verkeerd om iets te eten dat iemand aanstoot geeft. 21Vlees, ​wijn​ of iets anders waaraan uw broeder of zuster aanstoot neemt, kunt u beter laten staan. 22Uw overtuiging is een aangelegenheid tussen u en God. Gelukkig is wie zich niet schuldig voelt over zijn overtuiging, 23maar wie twijfelt of hij alles mag eten, is op het moment dat hij alles eet al veroordeeld. Want het komt niet voort uit geloof, en alles wat niet uit geloof voortkomt is zondig.

 

18 februari 2018

“Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.” – Matteüs 5:48

Geschriften van de dag: Matt. 5:17-48, Luc. 4:43-5:11, Rom. 12:1-13:10, Jes. 33:2-22

De hemel bestaat, maar wij zijn niet in hemel. De kerk wilt dat wij begrijpen waarom dat zo is. God heeft de mens niet voorzien voor deze aarde. God schiep ons in zijn gelijkenis en wilde dat wij leven zoals Hij, een zalig leven leiden. Waarom is dit niet het geval? Omdat de zonde bestaat. De zonde maakt ons de vijand van alles. Wij denken dat de zonde alleen God schaadt en niet ons maar dat is niet zo. Diegene die een zonde begaat wordt de vijand van alles. De zonde isoleert ons, scheidt ons van onze omgeving en leidt ons tot eenzaamheid. Als een tak afbreekt van een boom, wordt alles tegen het en verrot het. De zonde is de afwijzing van liefde.

God zette de mens uit naar de aarde. Wij zijn niet in de hemel maar op aarde. We zijn soort van in de hel en in de hemel. Wij proeven beide maar we moeten beslissen welke richting we lopen, richting de hel of richting de hemel.

De mens at van de boom des levens in het paradijs, wat zijn lichaam en geest leven en energie gaf. Maar in het heden hebben wij dit geestelijk leven niet. Tijdens onze doop krijgen wij enkel een draadje van dat leven, wat ons aan het denken zet over dat leven. Tegenwoordig krijgen wij onze energie zoals dieren, door voedsel. Het soort leven dat Adam en Eva in zich hadden, hebben wij niet in ons. De vrucht die zij aten droeg hun ook over naar een ander leven.

Echter begrepen Adam en Eva, zoals wij hedendaags, niet de waarde van hun leven. Bijvoorbeeld zoals gezondheid. Ieder mens vindt gezondheid het belangrijkste maar bijna iedereen hecht hier pas belang aan op het moment dat die ziek is.

Het Woord van God heeft waarde maar, zoals Adam en Eva, benaderen wij dit niet serieus. Vanaf onze eerste voorouders hebben we zo een benadering. Het vierde gebod van de tien geboden zegt: “Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan.” (Exodus 20:7, Deuteronomium 5:11). We benaderen dit niet serieus en dit is het gevolg.

“Het begin van alle kennis is ontzag voor de HEER” (Spreuken 1:7). Dit ontzag is de mens kwijtgeraakt. Onze zonde begint met niet serieus benaderen van Gods bevelen. De weg naar de hemel begint bij het serieus omgaan met Gods Woord en God heeft ons Zijn Woord gegeven. Zijn bevelen en Zijn verboden zijn gegeven maar ook Zijn beloftes. De God die zegt: “Steel niet.” (Exodus 20:15, Deuteronomium 5:19), zegt ook: ‘Ik ben de opstanding en het leven’, zegt: ‘je moet liefhebben’, zegt: ‘Ik zal al jullie tranen drogen, Ik zal een Vader voor jullie zijn.’ Dus het belangrijkste kenmerk van de mens is het vermogen om te leven in overeenstemming met het Woord van God.

De mens heeft alles geweigerd voor één genot. De Heer Jezus zegt dat je alles afslaan, zodat je God vindt. Een vogel kun je bijvoorbeeld op verschillende manieren vastbinden maar het resultaat is hetzelfde, hij kan niet vliegen. De mens is hetzelfde. De mens zegt mijn zonde is klein. De zonde van de mens was niet het eten van één appel. Het ging niet om het eten van die ene vrucht maar om de wil daartoe.

De uitzetting uit het paradijs is een leerproces voor de mens, geen straf. De aarde is de leerschool voor de mens. We begrijpen de waarde van het goede door het te vergelijken met het kwaad, het mooie met het lelijke, het licht met het duister. Wij zitten tussen die verhoudingen in en de keuzes zijn voor ons. God stuurde de mens na de zonde niet naar de hel maar na het leven op aarde hebben wij een plek om heen te gaan, of de hemel of de hel. Het Grote Vasten leert ons de weg naar de hemel. In dit leven zijn de hemel en de hel gevlochten met elkaar en wij moeten een keuze maken waar we heen gaan.

Evangelie: Mattheüs 5:17-48

17Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. 18Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn. 19Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden afschaft en aan anderen leert datzelfde te doen, zal als de kleinste worden beschouwd in het ​koninkrijk van de hemel. Maar wie ze onderhoudt en dat aan anderen leert, zal in het ​koninkrijk van de hemel​ in hoog aanzien staan. 20Want ik zeg jullie: als jullie ​gerechtigheid​ niet groter is dan die van de ​schriftgeleerden​ en de farizeeën, zullen jullie zeker het ​koninkrijk van de hemel​ niet binnengaan.

21Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen ​moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.” 22En ik zeg zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hen “Nietsnut!” zegt, zal zich moeten verantwoorden voor het ​Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de ​Gehenna​ komen te staan. 23Wanneer je dus je offergave naar het ​altaar​ brengt en je je daar herinnert dat je broeder of zuster je iets verwijt, 24laat je gave dan bij het ​altaar​ achter; ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen. 25Leg een geschil snel bij, terwijl je nog met je tegenstander onderweg bent, anders levert hij je uit aan de rechter, draagt de rechter je over aan de gerechtsdienaar en word je gevangengezet. 26Ik verzeker je: dan kom je niet vrij voor je ook de laatste cent betaald hebt.

27Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Pleeg geen ​overspel.” 28En ik zeg zelfs: iedereen die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn ​hart​ al ​overspel​ met haar gepleegd. 29Als je rechteroog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit en werp het weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam in de ​Gehenna​ geworpen wordt. 30En als je rechterhand je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af en werp hem weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam naar de ​Gehenna​ gaat.

31Er werd gezegd: “Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een ​scheidingsbrief​ meegeven.” 32En ik zeg jullie: ieder die zijn vrouw verstoot, drijft haar tot ​overspel​ – tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis; en ook wie trouwt met een verstoten vrouw, pleegt ​overspel.

33Jullie hebben ook gehoord dat destijds tegen het volk werd gezegd: “Leg geen valse eed af, voor de ​Heer​ gedane geloften moeten worden ingelost.” 34En ik zeg jullie dat je helemaal niet moet ​zweren, noch bij de hemel, want dat is de troon van God, 35noch bij de aarde, want dat is zijn voetenbank, noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote ​koning; 36zweer​ evenmin bij je eigen hoofd, want je kunt nog niet één van je haren wit of zwart maken. 37Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit ​het kwaad.

38Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Een oog voor een oog en een tand voor een tand.” 39En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren. 40Als iemand een proces tegen je wil voeren en je ​onderkleed​ van je wil afnemen, sta hem dan ook je ​bovenkleed​ af. 41En als iemand je dwingt één ​mijl​ met hem mee te gaan, loop er dan twee met hem op. 42Geef aan wie iets van je vraagt, en keer je niet af van wie ​geld​ van je wil lenen.

43Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste ​liefhebben​ en je vijand haten.” 44En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en ​bid​ voor wie jullie vervolgen, 45alleen dan zijn jullie werkelijk ​kinderen​ van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 46Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? Doen de ​tollenaars​ niet net zo? 47En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? Doen de heidenen niet net zo? 48Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.

25 februari 2018

“Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u.” – Lucas 15: 18-19

Geschriften van de dag: Luc. 6:12-49, Jes. 54:11 – 55:13, 2 Kor. 6:1 – 7:1, Luc. 15:1-32

Iemand had twee zonen. De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte. Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een zware hongersnood, en begon hij gebrek te lijden. Hij vroeg om werk bij een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden. Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem. Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u en ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.” (Lucas 15: 11-19).

Laten we samen over deze gelijkenis nadenken. Het vertrek van een verloren zoon uit het huis van zijn vader symboliseert het vertrek van de mens van God. Zoals Adam, die zijn schaamte probeerde te verbergen en niet meer schaamteloos naar God kon kijken, zo verliet de verloren zoon ook zijn geboorteplaats, met de naïviteit om zijn zonden voor zijn vader te verbergen. Maar iedereen die God verlaat, voelt zich vroeg of laat alsof die in de verlaten wildernis is. Na zo eenzaam te leven, begint de verloren zoon te overpeinzen en zijn daden te onderzoeken. De toestand waar hij ongewild in terecht kwam, werd voor hem een tijd van vasten. Hoewel het niet vrijwillig was, bracht dit de grote zondaar in een goede gelegenheid om zich in zijn daden te verdiepen door met grote inspanning tot zelfbewustzijn te komen, spijt te hebben voor zijn daden en een belangrijke beslissing te nemen om tot bekering te komen.

De gelijkenis illustreert de vergevingsgezindheid van de vader na de terugkeer van zijn verloren zoon. Uiteraard symboliseert dit de grenzeloze vergevingsgezindheid van de goedaardige God, omdat elk misleid kind God pijn doet en grenzeloos blij wordt als Hij zijn berouw ziet.

In tegenstelling tot de verloren zoon, is de situatie van de oudste zoon heel anders. Hij, die ogenschijnlijk een godvrezend leven leidde, werd verwaand door jaloezie en bekritiseerde zijn vader.

Deze gelijkenis is de parel van de gelijkenissen. Het wordt vaak het tweede evangelie in het evangelie genoemd. Deze gelijkenis is tegelijkertijd het verhaal van ons leven, de spiegel van ons hart. Hier zien we hoe de mens vanuit de onschuldige toestand overgaat naar verzoeking, van verzoeking tot verzoening, van verzoening tot geloven en met het geloof Gods genade waardig wordt. De hoofdpersoon in deze gelijkenis zijn wij. Wij hebben allemaal ons vaderlijk huis verlaten. We hebben allemaal naar vrijheid gezocht buiten Gods wil en we hebben allemaal tijdelijk het geluk gevonden waarvan we hebben gedroomd. We hebben ook allemaal de bittere vruchten geproefd van die tijdelijke vrijheid. We hebben allemaal een beroep gedaan op de familie die we in ons geluk hebben gevonden, maar geen van hen wilde hun verarmde familielid kennen. Het verhaal van deze gelijkenis is het verhaal van ons dagelijks leven.

Maar hoeveel van ons lijken op de verloren zoon, die naakt, hongerig en vervolgd door zijn geweten, terugkeert naar huis en hartelijk (niet mondeling) roept: “Vader, ik heb gezondigd tegen u …”. Hoeveel van ons hebben, zoals de verloren zoon bekend: ‘Ik ben schuldig en niet anderen.’ Hoeveel van ons zijn teruggekeerd van de rampzalige situatie en hebben een nieuwe weg gekozen. De weg van bekering en geloof. Degenen die op deze manier worden bekeerd tot onze hemelse Vader, tot de gekruisigde Christus, zullen ongetwijfeld naar de troostende woorden van de Verlosser luisteren: “Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt staan, dan zal ik jullie rust geven” (Mattheüs 11:28). Deze mensen zullen de liefdeszoen van de Vader ontvangen. Geloof dat onze hemelse Vader dergelijke mensen vergeeft en hen rond de tafel van Zijn genade plaatst.

Wij allen zullen beslist in het verleden, het heden en de toekomst de weg van het leven van de verloren zoon bewandelen. Zalig is de mens die de bekeerde verloren zoon in zich vindt. Om met Gods aanwezigheid, stilte en gebed, vol geloof durft te verkondigen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden.” (Lucas 15:21)

Evangelie: Lucas 6:12-49

Aanstelling van de twaalf apostelen

12Op een van die dagen trok ​Jezus​ zich terug op de berg om te ​bidden. De hele nacht bleef hij tot God ​bidden. 13Toen de dag aanbrak, riep hij de ​leerlingen​ bij zich en koos twaalf van hen uit, die hij ​apostelen​ noemde: 14Simon, aan wie hij de naam ​Petrus​ gaf, diens broer ​Andreas, ​Jakobus​ en ​Johannes, ​Filippus​ en ​Bartolomeüs, 15Matteüs​ en ​Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en ​Simon, die de IJveraar genoemd werd, 16Judas, de zoon van Jakobus, en Judas Iskariot, die een verrader werd.

Onderricht aan de leerlingen

17Toen hij met hen de berg was afgedaald, bleef hij staan op een plaats waar het vlak was. Daar had een groot aantal van zijn ​leerlingen​ zich verzameld, evenals een menigte mensen uit heel Judea en Jeruzalem en uit de kuststreek van Tyrus en Sidon. 18Ze waren gekomen om naar hem te luisteren en zich van hun ziekten te laten genezen; ook degenen die gekweld werden door onreine geesten werden genezen, 19en de hele menigte probeerde hem aan te raken, want er ging een kracht van hem uit die allen genas.

20Hij richtte zijn blik op zijn ​leerlingen​ en zei: ‘Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het ​koninkrijk van God. 21Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden. Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen.22Gelukkig zijn jullie wanneer de mensen jullie omwille van de ​Mensenzoon​ haten en buitensluiten en beschimpen en je naam door het slijk halen. 23Wees verheugd als die dag komt en spring op van blijdschap, want jullie zullen rijkelijk beloond worden in de hemel. Vergeet niet dat hun voorouders de profeten op dezelfde wijze hebben behandeld.

24Maar wee jullie die rijk zijn, jullie hebben je deel al gehad. 25Wee jullie die nu verzadigd zijn, want je zult hongeren. Wee jullie die nu lachen, want je zult treuren en huilen. 26Wee jullie wanneer alle mensen lovend over je spreken, want hun voorouders hebben de valse profeten op dezelfde wijze behandeld.

27Tot jullie die naar mij luisteren zeg ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie jullie haten, 28zegen​ wie jullie ​vervloeken, ​bid​ voor wie jullie slecht behandelen. 29Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook de andere wang aan, en weiger iemand die je je ​bovenkleed​ afneemt, ook je ​onderkleed​ niet.30Geef aan ieder die iets van je vraagt, en eis je bezit niet terug als iemand het je afneemt. 31Behandel anderen zoals je wilt dat ze jullie behandelen. 32Is het een verdienste als je liefhebt wie jullie ​liefhebben? Want ook de zondaars hebben degenen lief die hen ​liefhebben. 33En is het een verdienste als je weldaden bewijst aan wie weldaden bewijzen aan jullie? Ook de zondaars handelen zo.34En is het een verdienste als je ​geld​ leent aan degenen van wie jullie iets terug verwachten? Ook zondaars lenen ​geld​ aan zondaars in de verwachting alles terug te krijgen. 35Nee, heb je vijanden lief, doe goed en leen ​geld​ aan anderen zonder iets terug te verwachten; dan zullen jullie rijkelijk worden beloond, en zullen jullie ​kinderen​ van de Allerhoogste zijn, want ook hij is goed voor wie ondankbaar en kwaadwillig is.

36Wees ​barmhartig​ zoals jullie Vader ​barmhartig​ is. 37Oordeel niet, dan zal er niet over je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden. ​Vergeef, dan zal je ​vergeven​ worden. 38Geef, dan zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en overvolle maat zal je worden toebedeeld. Want de maat die je voor anderen gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt.’

39Hij sprak ook in ​gelijkenissen​ tegen hen: ‘Kan de ene blinde de andere blinde leiden? Vallen ze dan niet beiden in een kuil? 40Een ​leerling​ staat niet boven zijn leermeester; pas als iemand zich alles heeft eigen gemaakt, zal hij de gelijke zijn van zijn leermeester.

41Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt? 42Hoe kun je tegen hen zeggen: “Laat mij de splinter in je oog verwijderen,” terwijl je de balk in je eigen oog niet ziet? Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter in het oog van je broeder of zuster te verwijderen.

43Een goede boom brengt geen slechte vruchten voort, en evenmin brengt een slechte boom goede vruchten voort. 44Elke boom kun je aan zijn vruchten kennen, want van distels pluk je geen ​vijgen​ en van doornstruiken geen ​druiven.45Een goed mens brengt uit de goede schatkamer van zijn ​hart​ het goede voort, maar een slecht mens brengt uit zijn slechte schatkamer het kwade voort; want waar het ​hart​ vol van is daar loopt de mond van over.

46Waarom roepen jullie “Heer, ​Heer” tegen mij, maar doen jullie niet wat ik zeg? 47Ik zal jullie vertellen op wie degene lijkt die bij me komt, naar mijn woorden luistert en ernaar handelt: 48hij lijkt op iemand die bij het bouwen van zijn huis een diep gat groef en het fundament op rotsgrond legde. Toen er een overstroming kwam, beukte het water tegen het huis, maar het stortte niet in omdat het degelijk gebouwd was. 49Wie wel naar mijn woorden luistert maar niet doet wat ik zeg, lijkt op iemand die een huis bouwde zonder fundament, zodat het meteen instortte toen het water ertegen beukte en er alleen een bouwval overbleef.’