2 februari 2025
‘‘Dit moet u voor God doen: geloven in Hem die Hij gezonden heeft.’’ – Johannes 6:29
In het evangelie van vandaag lezen we hoe mensen Christus volgden, omdat ze vele tekenen van Hem gezien hadden. Wanneer Christus hen tegenspreekt en zegt dat ze Hem volgen, omdat hun magen gevuld zijn en niet om de tekenen die ze gezien hebben, vragen ze Hem: ‘‘Wat moeten we doen? Hoe doen we wat God wil?’’ (Johannes 6:28)
Uit deze vraag en antwoord zien we dat diegenen de vraag stelden niet het antwoord kregen waar ze op doelden. Zij zochten enkel het belang van hun aardse levens. Ze dachten dat ze met een antwoord van de Leraar hun vele aardse problemen, die ze hadden onder heerschappij van de Romeinen, zouden oplossen. Maar Christus zag hun gedachten en verplaatst de vraag direct van het materiële naar het geestelijke. ‘‘Dit moet u voor God doen: geloven in Hem die Hij gezonden heeft.’’ (Johannes 6:29). ‘‘U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft.’’ (Johannes 6:27). ‘‘‘Ik ben het Brood dat leven geeft,’ zei Jezus. ‘Wie bij Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst hebben.’’’ (Johannes 6:35).
Een mens heeft altijd de behoefte aan geloof. Hij zoekt zijn hele leven naar geloof. Iemand gelooft dat God bestaat en een ander gelooft dat God niet bestaat. Uit deze ‘niet’ ontstaat het geloof in iemands eigen ego, geld, glorie, wijsheid en een ander persoon. Uit het verkeerd interpreteren van het geloof ontstaan religies, sektes en filosofieën die Gods beeld, wil en leer misvormen. En dit geloof, juist of onjuist, is wat de mens leidt, zijn essentie vormt en zijn relaties vormgeeft.
En welke hoop hebben wij? Wat is ons geloof? Wat is de goede boodschap die de geïncarneerde God bracht en ons opdroeg om uit te dragen? Tijdens beproevingen en noodsituaties in ons leven vergeten we vaak dat het de boodschap van onze glorieuze verlossing is, waarin we geloven, aangezien we het hoorden uit de heilige mond van de uit de doden verrezen Mensenzoon. En Christus bracht ons het allerbeste, allermooiste en leven-gevende nieuws, dat we nooit eerder hadden gehoord. Hij verdreef de wanhoop en angst voor de dood en vertelde ons dat de Schepper ons heeft geschapen voor de onsterfelijkheid, dat onze geest onsterfelijk is en dat de dood en het graf alleen een poort is van het bittere, korte, aardse leven naar het oneindige leven. Hij vertelde dat we dit leven als een voorbereiding moeten leven om het oneindige, daadwerkelijke leven te accepteren. Dat de werken en daden die we hier uitvoeren hun uiteindelijke vereffening krijgen in het hemelse leven tijdens het Laatste Oordeel. Daar zal worden beslist hoe we ons oneindige leven zullen lijden, gelukzalig of lijdend. Christus vertelde ons en wij geloven dat de Schepper ons door middel van Zijn heilige Wil ons alleen naar de verlossing leidt. Dus wij moeten in alles Gods Wil zoeken, door middel van Zijn Woord dit vinden en hiernaar leven.
Evangelie: Johannes 6:39-47
39Dit is de wil van hem die mij gezonden heeft: dat ik niemand van wie hij mij gegeven heeft verloren laat gaan, maar dat ik hen allen laat opstaan op de laatste dag. 40Dit wil mijn Vader: dat iedereen die de Zoon ziet en in hem gelooft, eeuwig leven heeft, en dat ik hen op de laatste dag uit de dood zal opwekken.’
41De Joden begonnen te protesteren omdat hij zei dat hij het brood was dat uit de hemel was neergedaald. 42‘Dat is toch Jezus, de zoon van Jozef? We weten toch wie zijn vader en moeder zijn? Hoe kan hij dan zeggen dat hij uit de hemel is neergedaald?’ 43Jezus zei: ‘Ik hoor u bezwaren maken. 44Toch kan niemand bij mij komen, tenzij de Vader die mij gezonden heeft hem bij me brengt, en ik zal hem op de laatste dag tot leven wekken. 45Het staat geschreven in de Profeten: “Zij zullen allemaal door God onderricht worden.” Iedereen die naar de Vader luistert en van hem leert komt bij mij. 46Niet dat iemand ooit de Vader gezien heeft – alleen hij die van God komt, heeft hem gezien. 47Waarachtig, ik verzeker u: wie gelooft, heeft eeuwig leven.
9 februari 2025
‘‘Laat u leiden door de Geest, dan bent u niet gericht op uw eigen begeerten.’’ – Galaten 5:16
In ons leven heeft onze geest de meeste zorg nodig en die staat onder de hoede van onszelf. Iedereen heeft zijn eigen zorgen en bezigheden maar de geest van een mens vereist ook aandacht een voeding. Het leven leidt ons naar verschillende situaties. Het huwelijk, nieuw werk of ontslag, promotie, het verlies van een geliefde, ziekte, rijkdom, armoede, verraad, verhuizen, het dalen of stijgen van inkomen en dergelijke. Dit soort situaties zijn een beproeving voor onze geest en kunnen ons verwijderen van ons geloof. Bijvoorbeeld door arrogantie, wanhoop, teleurstelling en angst. Dit soort situaties kunnen ons ook dichter bij God brengen door bijvoorbeeld we waakzamer worden en goede vrienden erbij krijgen en dergelijke. Nieuwe condities leiden altijd tot nieuwe vragen en vraagstukken die dragen of bij aan de zonden van de mens of aan de deugen van de mens. Hierom heeft de geest constante aandacht en zorg nodig, want als we het geen zorg geven dan zijn de gevolgen ten gevolge van nieuwe situaties onbekend. De allereerste zorg voor de geest is de doop. Soms stellen mensen dit door verschillende oorzaken uit maar vergeten hierbij de verlossing van de geest van hunzelf of van hun kind. Zorgen voor je geest is deelnemen aan de Heilige Liturgie, biechten, bekeren, bidden, de Bijbel lezen en Communie nemen. Als de mens het gebed niet belangrijk acht dan zal de geest in genegeerde toestand blijven. Zoals ons lichaam voeding en kleding nodig heeft, zo heeft onze geest ook zorg nodig. Het doel hiervan is niet het zorgen voor de geest maar de verlossing van onze geest.
Op aarde wordt alles eraan gedaan dat de mens zich concentreert op het lichaam. Nieuwe kleding, comfortabel huis, omgeven met spullen en artikelen, nieuwste telefoon en computers, het vervangen van oude dingen door nieuwe, op tijd met vakantie en voeding moet zo voedzaam mogelijk. Maar de geest vraagt toch ook zijn zorg? Net zoals het lichaam mooier wordt doordat we ervoor zorgen, zo wordt ook onze geest mooier als we ervoor zorgen. Door voor onze geest te zorgen wordt onze geest verlicht met het Licht van God, het krijgt goddelijke deugden, komt dichter bij heiligheid, wordt bevrijd van slechte gewoontes en wordt een drager van christelijke normen en waarden. De connectie met God, het gebed, helpt constant zodat de mens afstand houdt van de zondes, beschermt is tegen de aardse vermoeiende gebeurtenissen, om de geestelijke balans niet te verliezen, om niet wanhopig te worden door angst en niet te streven naar destructieve fenomenen.
Evangelie: Johannes 6:15-21
15Jezus begreep dat ze Hem wilden dwingen mee te gaan, om Hem dan tot koning uit te roepen. Daarom trok Hij zich terug op de berg, alleen.
16Bij het vallen van de avond daalden zijn leerlingen af naar het meer; 17ze stapten in een boot en zetten koers naar de overkant, naar Kafarnaüm. Het was al donker geworden, en Jezus was nog niet naar hen toe gekomen. 18Er stak een hevige wind op en het meer werd onstuimig. 19Toen ze vijfentwintig of dertig stadie geroeid hadden, zagen ze plotseling Jezus over het water lopen; Hij was dicht bij de boot en ze werden bang. 20Maar Hij zei: ‘Ik ben het, wees niet bang.’ 21Ze wilden Hem aan boord nemen, en meteen kwam de boot aan land op de plaats waar ze naartoe wilden.
16 februari 2025
“Ze vroegen: “Wat moeten we doen? Hoe doen we wat God wil?”. “Dit moet u voor God doen: geloven in hem die hij gezonden heeft’’, antwoordde Jezus.’’- Johannes 6:28-29
Geloven in de Zoon van God begint met luisteren. Het gaat er dan voornamelijk om hoe we naar het woord van de Heer luisteren. Met wat voor mentale en emotionele instelling, geestelijke voorbereiding en openheid van het hart luisteren we naar Hem? Luisteren we met onverschilligheid of met deelname? Luisteren we met warmte, met kilheid, met verlangen of komt het vanuit één kant zoals gewoonlijk? Gaan we ermee om zoals we omgaan met woorden die overal gezegd kunnen worden of luisteren we aandachtig met vertrouwen? Luisteren we ernaar met argwaan, als een onbekende uitspraak die ons wordt opgedrongen door een ongenode gast of luisteren we ernaar alsof een zorgzame, intieme stem je hart en ziel kalmeert, zoals de stem van een moeder voor een pasgeboren kind?
Luisteren naar het woord van de Heer is de bron van het leven zelf. We moeten onszelf daarom afvragen hoe we naar elk woord van de Heer luisteren, hoe we elk woord van de Bijbel lezen en hoe we elk woord van het evangelie en de apostolische geschriften die we tijdens de Heilige Liturgie te horen krijgen in ons opnemen. Dan beseffen we dat die woorden van de Heer zelf zijn. Die woorden zijn door de Heer geïnspireerd en hebben als doel om ons te behoeden voor het verlies, ons de weg naar het eeuwige leven aan te wijzen, het zaad des levens in ons hart te planten en om het water des levens in ons hart op te laten borrelen.
Jezus zei: “Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, de tijd zal komen dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen en zij die ze horen, zullen leven.” Johannes 5:25. Het luisteren alleen zal dus het begin van het leven zijn. Laten we eens nadenken over hoe we luisteren en waarom we luisteren.
Luisteren naar het woord van de Heer is niet zoals het luisteren naar een lezing of een toespraak, omdat het christendom niet op zichzelf staat en niet zomaar een ideologie is. Luisteren naar het woord van de Heer houdt noodzakelijkerwijs in dat we een dusdanige actie moeten ondernemen die van vitaal belang is. Die actie ontmoet het levende woord van God, geïncarneerd als de Zoon van God, de Heer Jezus Christus. Hij is het woord van God en dat is wat wij horen. Door met waarheid, geloof, vertrouwen en verlangen te luisteren naar het woord van God, accepteren we Jezus Christus in ons leven. We luisteren naar het woord van God met onze oren en ontvangen het in het centrum van ons lichaam, het hart, via de deuren van onze geest.
Tijdens de heilige liturgie bidt de diaken als volgt: “De deuren, de deuren. Met alle wijsheid en voorzichtigheid, verhef uw gedachten met vrees voor God.” In het eerste deel van de heilige liturgie horen we de heilige evangelie van de Heer en nodigt Christus ons uit om de deuren van onze geest te openen om de Heer te ontvangen. Dankzij de heilige communie kunnen we eindelijk het verlangen om de Heer in ons hart te ontmoeten waarmaken. De vereniging met de Heer waar een persoon naar verlangt is de Heer zelf.
Het gebed, in dit geval de heilige liturgie, is de “ontmoeting tussen God en mens”, zoals Sint Augustinus het zegt. Met geloof luisteren naar het woord van God betekent dus ons hart openen voor de Heer, Hem aanvaarden, Hem ontmoeten en ons met Hem verenigen. Dit is de actie die “horen” inhoudt voor een volgeling van Christus.
Dit is het essentiële verschil tussen het luisteren naar eenvoudige uitspraak en het luisteren naar het woord van God, omdat het woord van God een Persoon is, de tweede persoon van de Heilige Drie-eenheid, door wie de wereld is geschapen. “Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. In het woord was leven en het leven was het licht voor de mensen.” Johannes 1: 3-4. Dit is waar we naar luisteren als we luisteren naar het Woord van God. Luisteren naar het Woord van God betekent niet ernaar luisteren en erdoor opgewonden raken, maar er gewoon in geïnteresseerd zijn, nadenken of het acceptabel is of niet, goed of fout is en of het betrouwbaar is of niet.
Luisteren naar het Woord van God betekent jezelf openstellen voor het Goddelijke woord dat het universum schiep, jezelf openstellen voor de Schepper, zodat we Hem benaderen om die “god” in ons op te nemen. Laat dat “hel” zingen in ons hart, in de diepten van ons wezen en de geestelijke wil van onze hartenmaker, zodat die “ziel” het beeld van God in ons hart laat zuiveren en onze verloren gelijkenis met de Schepper gebruikt om die “ziel” te laten komen, de duisternis van de wereld te verdrijven.
“God sprak. “Laat er licht zijn en er was licht” – Genesis 1:3
“Zijn leven was licht en dat leven was een licht voor mensen. En het licht verlicht de duisternis en de duisternis overwint hen”. – Johannes 1:5
Evangelie: Johannes 6:22-38
22 De volgende dag stond de menigte weer aan de oever van het meer. Ze hadden gezien dat er maar één boot was en dat Jezus niet aan boord was gegaan maar dat zijn leerlingen alleen vertrokken waren. 23 Nu legden er andere boten uit Tiberias aan, dicht bij de plek waar ze het brood gegeten hadden nadat de Heer het dankgebed had uitgesproken. 24 Toen de mensen zagen dat Jezus en zijn leerlingen er niet waren, stapten ze in die boten en voeren ze naar Kafarnaüm om Hem te zoeken.
25 Ze vonden Hem aan de overkant van het meer en vroegen: ‘Rabbi, wanneer bent U hier gekomen?’ 26 Jezus zei: ‘Werkelijk, Ik verzeker u, u zoekt Me niet omdat u tekenen hebt gezien, maar omdat u brood gegeten hebt en verzadigd bent. 27U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat blijft en eeuwig leven geeft; de Mensenzoon zal het u geven, want de Vader, God zelf, heeft Hem die volmacht gegeven.’ 28 Ze vroegen: ‘Wat moeten we doen? Hoe doen we wat God wil?’ 29‘Dit moet u voor God doen: geloven in Hem die Hij gezonden heeft,’ antwoordde Jezus.
30Toen vroegen ze: ‘Welk teken kunt U dan verrichten? Als we iets zien zullen we in U geloven. Wat kunt U doen? 31Onze voorouders hebben immers manna in de woestijn gegeten, zoals geschreven staat: “Brood uit de hemel heeft hij hun te eten gegeven.”’ 32Maar Jezus zei: ‘Werkelijk, Ik verzeker u, niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader; Hij geeft u het ware brood uit de hemel. 33Het brood van God is het brood dat neerdaalt uit de hemel en dat leven geeft aan de wereld.’ 34‘Geef ons altijd dat brood, Heer!’ zeiden ze toen. 35‘Ik ben het brood dat leven geeft,’ zei Jezus. ‘Wie bij Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst hebben. 36Maar Ik heb u al gezegd dat u niet gelooft, ook al hebt u Me gezien. 37Iedereen die de Vader Mij geeft zal bij Mij komen, en wie bij Mij komt zal Ik niet wegsturen, 38want Ik ben niet uit de hemel neergedaald om te doen wat Ik zelf wil, maar om te doen wat Hij wil die Mij gezonden heeft.
23 februari 2025
“Laat wie dorst heeft bij mij komen en drinken! Rivieren vol bruisend water zullen stromen uit het hart van wie in mij gelooft.” – Johannes 7:37
Deze woorden zijn een van de mooie en beknopte beelden van ons geloof. Jezus Christus Zelf, als het belichaamde beeld van God de Vader, spreekt tot ons met typische beelden uit ons leven, zodat we niet losgekoppeld blijven van het nieuwe leven dat Hij heeft gebracht vanwege de zwakte van onze geest. Hier verschijnt de Heer vandaag als het water des levens.
We kunnen zonder twijfel zeggen dat we slechts een dag zonder water moeilijk zouden overleven, dus de boodschap hierin is dat een mens zonder God niet eens een dag kan overleven. Laten we deze woorden eens onder de loep nemen. In de allereerste verzen van het Heilige Boek wordt water al snel genoemd. “Maar Gods geest zweefde over het water.” (Genesis 1:2). Omdat we niet alle verwijzingen en fragmenten over water in het Bijbelboek in detail willen presenteren, zullen we voor nu zeggen dat water de grootste en belangrijkste component van de dieren- en plantenwereld is. Om de bovengenoemde woorden van Onze Heer echter beter te begrijpen, moeten we kijken naar het belang en de betekenis van het water in het leven voor de Joden, want Jezus sprak in een omgeving waar Joden leefden, waardoor Jezus voorbeelden uit het leven van de Joden gebruikte. Op de pagina’s van verschillende boeken uit het Oude Testament zien we dat water het meest waardevolle was voor de inwoners van het woestijnland. Voor een volk dat zich voornamelijk bezighield met veeteelt, zoals de Joden, was het belangrijkste om drinkwater te vinden voor zowel zichzelf als hun kuddes en daarom vestigden zij zich altijd rond de putten.
We kennen ook verhalen over de vele waterputten die door de voorvaderen van Israël zijn gegraven. Water was bovendien erg belangrijk voor wassingen, vooral voor mensen die in het stof van de woestijn leefden. Het wassen van voeten en handen was erg van belang, wat later ook een rituele betekenis kreeg. Voordat de joden de tempel binnengingen, moest iedereen zich wassen in de wasbakken die op de binnenplaats waren geplaatst als teken van reiniging van hun zonden. Hiermee worden de twee belangrijkste eigenschappen van water duidelijk: levendigheid en zuiverheid. Laten we, met deze kleine verwijzing in gedachten, stap voor stap proberen de betekenis van deze woorden van Jezus Christus begrijpen. Wanneer Jezus eerst zegt: “Laat wie dorst heeft”, dan betekent het dat het vereiste om Christus te naderen met een gevoel van dorst, namelijk de dorst van de ziel. Zoals de psalmist zegt: “Zoals een hinde smacht naar stromend water, zo smacht mijn ziel naar U, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God, wanneer mag ik nader komen en Gods gelaat aanschouwen?” (Psalmen 42:2-3).
“Mijn ziel dorst naar U, machtige en levende God.” Een ziel die dorst voelt, moet bevrediging zoeken en alleen Christus kan dat geven. De Heer roept de mensen die dorsten in hun ziel tot Hem. “Laat hem tot Mij komen en drinken.” Onze eerste ontmoeting met God is de doopvijver. We worden gezuiverd door het water door het drinken van het water des levens. We worden herboren in de geest, maar het leven van onze herboren ziel is niet daartoe beperkt. Jezus vervolgt zijn toespraak met “hij die in Mij gelooft.” Dit betekent dat degenen onder ons die door de doop wedergeboren zijn, ons nieuwe leven moeten leiden: het leven van het geloof. Met andere woorden, laten we ons niet beperken tot onze persoonlijke nauwe relatie met God, maar laten we ook met anderen delen wat God ons heeft gegeven en zo een partner van de Heilige Geest te worden. Dit is precies wat de Heer bedoelt als Hij zegt: “Rivieren van levend water zullen uit hem stromen.” Dit alles laat ons duidelijk zien dat onze zielen dorsten naar God en dat als iemand eenmaal van het water des levens heeft gedronken, hij zelf een drinker van dat water wordt. Als we echter naar ons leven kijken, zien we dat niet alles zo mooi en perfect is. Hoewel velen van ons door de doop uit de bron van levend water dronken en herboren werden, lieten we door onverschilligheid of gebrek aan geloof het water in onze ziel vertroebelen. Misschien is er al een moeras in de ziel van velen van ons, omdat God zelf is gestopt met het geven van water, en misschien zijn er zelfs mensen wiens ziel nog nooit water heeft gezien.
Als vandaag de dag om ons heen kijken, zullen we merken dat deze woorden voor ons zijn uitgesproken en zullen we met pijn en spijt in het hart moeten toegeven dat we tot nu toe een droog leven hebben geleid. De ziel leeft tenslotte alleen als ze voortdurend in gemeenschap met God is door gevoed te worden uit de bron van levend water, namelijk Christus Zelf. De Heer laat Zijn ziel ook een stroom en een rivier worden voor dat water. Dit betekent dat je dat water opneemt en er tevreden mee bent en het ook aan anderen doorgeeft. Dan verandert alleen onze ziel in een bloemrijk paradijs, als een waterstroom waarvan de oevers altijd bedekt zijn met groen en bloemen. Laten we met deze bespiegeling door een nederige blik diep in onze ziel kijken: stroomt daar het levenswater? Zo niet, laten we dan niet wachten, want de zoete stem van de Heer klinkt voor ons. “Als iemand dorst heeft, laat hij tot Mij komen en drinken.”
Evangelie: Johannes 7:37-52
37Op de laatste dag, het hoogtepunt van het feest, stond Jezus in de tempel, en Hij riep: ‘Laat wie dorst heeft bij Mij komen en drinken! 38“Rivieren van levend water zullen stromen uit het hart van wie in Mij gelooft,” zo zegt de Schrift.’ 39Hiermee doelde Hij op de Geest die zij die in Hem geloofden zouden ontvangen; de Geest was er namelijk nog niet, want Jezus was nog niet tot Gods majesteit verheven.
40Toen de mensen in de menigte dit hoorden, zeiden ze: ‘Dit moet wel de profeet zijn.’ 41Anderen beweerden: ‘Het is de Messias,’ maar er werd ook gezegd: ‘De Messias komt toch niet uit Galilea? 42De Schrift zegt toch dat de Messias uit het nageslacht van David komt en uit Bethlehem, waar David woonde?’ 43Zo ontstond er verdeeldheid in de menigte, 44en sommigen wilden Hem grijpen, maar niemand deed Hem iets.
45De dienaren van de hogepriesters en de farizeeën gingen terug. Toen hun werd gevraagd: ‘Waarom hebben jullie Hem niet meegebracht?’ 46 antwoordden ze: ‘Nog nooit heeft een mens zo gesproken!’ 47Maar de farizeeën zeiden: ‘Hebben jullie je ook al laten misleiden? 48Er is toch geen enkele leider of farizeeër tot geloof in Hem gekomen? 49Alleen de massa die de wet niet kent – vervloekt zijn ze!’ 50Maar Nikodemus, die destijds bij Jezus was geweest, iemand uit hun eigen kring, zei: 51‘Onze wet veroordeelt iemand toch pas als hij gehoord is en als bekend is wat hij heeft gedaan?’ 52Ze zeiden tegen hem: ‘Kom jij soms ook uit Galilea? Kijk het maar na, dan zul je zien dat er uit Galilea geen profeet kan komen.’